geweld

 

Geweld
en ronselarij in de Liemers

       Door

   Theo Goossen Zevenaar.

De
zwakke zijde van ons volksbestaan tussen 1715 en 1725 kwam tot uiting

door
de vervlakking van het geestelijke leven. Er ontstond onvoldaanheid over

en
ontevredenheid met de bestaande toestanden. De democratische beweging begon aan
betekenis te winnen. Men wilde iets anders dan het langzamerhand versleten
regentenregime. De nieuwe denkbeelden gingen ook aan de Lijmers niet ongemerkt
voorbij; de burgerij nam stelling tegen de heersende macht.

Bij
de jongelui ontlaadden zich deze gevoelens van onbehagen in geweld en
plagerijen. Het gevolg daarvan was: onschuldige slachtoffers onder de vreedzame
burgers.

Officiële
mededelingen maken gewag van waakzaamheid 
tegen Diemse  moordenaars en
brandstichters. Processen-verbaal tussen 1781 en 1786 getuigen van
gewelddadigheden, begaan tegen de inwoners van Zevenaar door Didamse en Eltense
inwoners.

Zelfs
schrokken Diemsen en Eltenaren er niet voor terug een overstromingsramp te
veroorzaken die op het nippertje kon worden voorkomen. De Rijnbedding had zich
verplaatst tot aan de Babberichse bandijk en de schouwrichter moest dag en
nacht de wacht houden om doorsijpelen van water door de dijk te kunnen
vaststellen en verhelpen. Doch de jongelui uit Elten en het naburige Gelderse
Didam beletten de man op 16, 17 en 18 februari 1781 om zijn werk te doen. Op 19
februari hadden zij zelfs de bandijk tweemaal doorgestoken en maakten het
daarna onmogelijk voor de richter om dichterbij te komen door hem tienmaal met
hagel en kogels te beschieten. Door de duisternis en de regen werden de
bandieten niet herkend.

Het
bovengemelde voorval moge incidenteel zijn, het bewees tevens het onvermogen
van het bevoegde gezag om recht en orde te handhaven. Bovendien maakten militaire
ronselaars zich hoe langer hoe meer schuldig aan persoonlijke vrijheidsberoving
omdat de desolate toestand waarin het militaire apparaat verkeerde, weinig
aanleiding gaf om vrijwillig dienst te nemen in het leger.

Zelfs
de plaatselijke overheden staken hun afkeuring niet onder stoelen of banken. Al
met al was er voor de burgerij reden genoeg om het recht tot verzet tegen alle
corruptie in eigen hand te nemen.

De
fatale brief

Op
Palmzondag, 24 maart 1782 kwam de Jonggezellen-Schutterscompagnie uit Elten
onder de grote lindeboom op de Markt bijeen om de voorbereidingen te treffen
voor het grote paasvuur van a.s. zondag. Iedereen was aanwezig om deze
jaarlijkse traditie te bespreken: een groots paasvuur moest het worden, ginds
tegen de helling van de Elterberg! Op het programma stonden muziek, zang en
dans. De taken, zoals het maken van de Judaspop en het bijeenbrengen van de
"paasbrand" werden verdeeld. Deze paasbrand bestond voor een groot
gedeelte uit afgedankt huisraad, oud bedstro, tuinafval e.d. dat tijdens de
grote schoonmaak in de Goede Week op een hoop werd gegooid en bestemd was voor
het gemeenschappelijke paasvuur. Als Eltense jongen was ook Jan Boekhorst bij
de bespreking aanwezig en al kon hij aan de voorbereidende werkzaamheden niet
meedoen, met Pasen zou hij stellig van de partij zijn. Jan werkte namelijk als
metselaar bij een aannemer in Huissen en omdat de afstand te voet te groot was,
logeerde hij van maandag tot zaterdag in een herberg in Huissen. De avonden
bracht hij door in de gelagkamer, waar ook de waard en zijn gezin huisden.

Op
paaszaterdag om 12 uur luidden de kerkklokken in Huissen het begin van het
paasfeest in. Op de bouw werd het werk neergelegd en Jan spoedde zich naar de
herberg om zijn middagmaal te gebruiken en zich te verkleden. Als opkikkertje
na een week van vasten, nam hij een glaasje jenever en streek neer bij een
gast, die toevallig aanwezig was. De onbekende, die terloops vertelde dat hij
Van de Berg heette, bleek goed bij kas te zijn en trakteerde flink. Een tegenprestatie
van Jan's kant werd niet geaccepteerd. Van de Berg (die een handlanger van een
wervingsofficier bleek te zijn) stelde echter voor dat Jan, op weg terug naar
huis, over Duiven zou gaan om daar aan Van Huet, de waard van de herberg
"De Zwaan" een briefje af te geven met de mededeling daarop dat
"de jenever" afgehaald kon worden". Op voorwaarde dat hij dit
briefje persoonlijk aan Van Huet zou overhandigen, kreeg hij een drinkfooi mee.

Aangekomen
in Duiven en, na een 7 km lange tocht enigszins dorstig geworden, stapte Jan
bij de herberg "In de Postwagen" binnen. Börgers de waard, die
behalve de herberg, ook nog een manufacturenwinkel, een grossierderij in zout
en een boerderijtje dreef, hoorde het verhaal van Jan met gemengde gevoelens aan.
Zijn commentaar was: "Jong, dat mot ge niet doen, ze kriegen ow daor te
pakken! Daor is een ronseler in de kost en den het ow al te pakken veur dat gij
d'r arg in het.Ik zal de meid dit briefke wel efkes laoten bezurgen". Maar
overmoedig geworden door de jenever, de brandewijn en een paar flessen wijn
meende Jan: "Beloofd is beloofd" en dus stapte hij op om zich te
vervoegen bij Elbert van Huet, de waard van de herberg "In de Zwaan".

Van
Huet liet hem plaatsnemen aan een tafeltje en bood hem een glas brandewijn aan.
Vanuit een zijvertrek kwam de wervingsonderofficier en ging bij Jan aan het
tafeltje zitten. De sterke drank vloeide rijkelijk en voor Jan er erg in had
was hij dronken gevoerd. Door een klap tegen zijn slaap werd hij bewusteloos
geslagen, met een stevig koord gebonden en zo ingelijfd bij het regiment....

Omdat
het paasfeest op handen was, kon men niet vóór dinsdag op een geleidetransport
uit Wesel rekenen. De - op deze vreemde wijze aangeworven- rekruut moest dus
onder strenge bewaking in de Lijmers worden vastgehouden en daarvoor moesten
snel de nodige maatregelen worden getroffen!

De
districtsinspecteur in Zevenaar, Bötticher, ontving de mededeling dat de namens
het Hoogloffelijke Van Eckmans Regiment en onder de Compagnie van de kapitein
Van Rodenburg aangeworven rekruut wegens desertie onder strenge bewaking daar
in arrest moest blijven. 's Avonds om half negen nog, liet Bötticher de
gerechts- en tevens ambtsbode Gottfried Boldte bij zich komen en gaf opdracht
onmiddellijk een waak- en wachtdienst te organiseren.

In
de regel werden militairen ingekwartierd bij burgers om zo de kosten van warmte
en licht te besparen. Op bevel van hogerhand vorderde men op de Markt in
Zevenaar bij Peter Jochems, de waard van de herberg "De Moriaan"
inkwartiering, waarvoor Jochems 26 stuivers rekende: slaapgeld 2 st., Koffie 3
st., middagmaaltijd 10 st., een kan bier 3 st., en 's avonds 8 st.

De
"huislieden" door Boldte bij toerbeurt opgeroepen om de gevangene te
bewaken, gingen met hem mee naar "De Moriaan", waar de wervingsonderofficier
en zijn helpers al stonden te wachten. Op de vloer tussen hen in lag een
bevuilde, stevig gebonden jonge man, vast in slaap. Aan zijn slaap kleefde geronnen
bloed... De onderofficier gaf de bewakers het bevel: "Hier lever ik jullie
een gebonden arrestant over die gebonden moet blijven!" De arrestant
diende onafgebroken onder bewaking te blijven en Boldte zou hiervoor
persoonlijk aansprakelijk zijn; een poging van hem om dit op Leopold (de
werver) af te schuiven mislukte omdat deze in Duiven nog
"zaken" te doen had. Wel zou volgens de werver de bewaking van zeer
korte duur zijn, daar een brief naar Wesel al onderweg was, waarin om een
transportcommando werd gevraagd. Terwijl Boldte nog met de bewakers overlegde,
riep vrouw Jochems die de arrestant aan een nauwkeurig onderzoek had
onderworpen, opeens geschrokken: "Mien God, den ken ik! Dat is Jan
Boekhorst uut Elten; zien moeder het nog bij mien oldershuus gediend. Zo wonen
now net veur dat je Elten inloop aan de Kleefse Postweg. Ik laot meteen iemand
naor Elten gaon um bescheid te doe. Den arme jong het niet vrijwillig dienst
genommen, daor ken ik um vul te goed veur. Boldte mot zich aover den toedrach
bij den Bötticher better laoten informieren, zodat hij naor huus kan!'"

Zij
stond erop dat Jan een goede behandeling kreeg; hij werd op een bed gelegd en
mocht zijn roes uitslapen.

Op
de eerste paasdag, 31 maart 1782, kreeg Boldte die in alle vroegte weer naar De
Moriaan was gegaan, van Jan, nu geheel ontnuchterd, de ware toedracht te horen:
voor militairen dienst had hij zich niet vrijwillig gemeld, dat wist hij zeker!

Het
bericht over de lotgevallen van Boekhorst verspreidde zich als een lopend
vuurtje door de Lijmers. Overal was men verontwaardigd, maar vooral in Elten
werd dit voorval hoog opgenomen. De hele zondagmiddag was het in "De
Moriaan" een komen en gaan van mensen van binnen en buiten de stad.

Terecht
vreesde Boldte voor de veiligheid van de bewakers en de verdwijning van de
rekruut. Aan Bötticher verzocht hij om Leopold over te laten komen en hem de
bewaking over te dragen. Bötticher zag de redelijkheid van dat verzoek in en
liet de werver Leopold overkomen.

De
onderofficier Leopold echter weigerde te blijven, zelfs niet voor 200 tot 300
gulden handgeld en verklaarde nog eens dat morgen al het militaire transport
ongetwijfeld zou arriveren om de rekruut mee te nemen. Ook mogelijke
vrijheidsberoving - door Bötticher gesuggereerd - werd door Leopold ten
stelligste ontkend: zowel de waard Van Huet als hij zelf kon onder ede
verklaren dat Boekhorst had gevráágd dienst te mogen nemen; het hem daarvoor
aangeboden handgeld had de jongen meteen in drank omgezet.

Maar
voor alle zekerheid werd Jan overgebracht naar de gevangenis onder het
Stadhuis, waarop Leopold weer naar Duiven vertrok. Die nacht en ook de 2e
paasdag, 1 april 1782 gingen voor de arrestant en voor de bewakers betrekkelijk
rustig voorbij op een paar voorvallen na.

 

 

Amateur-bewakers

Volgens
een wet gedateerd 17 juni 1768 kon door de justitie worden bepaald hoeveel
personen voor bijstand konden worden ingezet. Artikel 2 en 3 daaruit gaf de
gerichtsbode de bevoegdheid het benodigde aantal huislieden voor de handhaving
van het gezag op te roepen.

In
tegenstelling tot de steden, waar de burgerij hierbij inspraak had, mocht hij
op het platteland zelf de mannen daarvoor aanwijzen. Wel moesten de namen van
deze mannen ter kennis van de districtsinspecteur gebracht worden. Boldte maakte
gebruik van deze bevoegdheid en wees in Duiven mannen aan voor de bewaking in
Zevenaar. Hij zocht hiervoor 5 mannen uit van geringe afkomst. Het waren Jan
van Schaaikamp, Herman Janssen, Lucas Lucassen, Berndt Polman en Gerrit
Christiaan. Toen deze 's morgens in Zevenaar aankwamen om de wacht over te
nemen, protesteerden ze heftig en wensten eerst behoorlijke garanties. Om uit
de impasse te geraken, nam Boldte ze mee naar Bötticher die de mannen vroeg
waarom ze niet op wacht wilden. Herman Janssen verwoordde hun bezwaren als
volgt: "Wij durven niet, wij sin hartstikke bang. Gij het ons veur 24 uur
de wacht angezeid. Dat hult in, dat wij met motten um Boekhorst deur Elten naor
Wesel te brengen. In Elten slaon ze uns finaal in mekaar of schieten ze ons
morsdood. Daorbij hebben wij allen maor stokken um ons te verweren! Gij denkt
zeker dat wij gin wief en kleine blagen thuus hebben zitten. En als wij, zoals
gij wilt, ons opsluten laoten in het raodhuus, is er gin kans meer om er
tussenuut te kommen!"

Op
de vraag van Bötticher: "geleuve gillie vast dat gillie den arrestant naor
Wesel motten brengen?", antwoordden zij: "Jaozeker, anders hadden wij
wel gezwege". Bötticher stelde hen gerust, zij hoefden hoogstens 24 uur
wacht te lopen en als de arrestant vóór het einde van hun diensttijd werd
afgehaald, dan was daarmee hun wachttijd afgelopen. Voor alle zekerheid voegde
Boldte een man uit Zevenaar, Gerard Bouman, aan de bewakende mannen toe. Zo
meende hij onderonsjes tussen arrestant en bewakers te kunnen voorkomen en
bovendien beschikte Bouman overeen geweer. Maar Herman Janssen meende: Als ze
met Jan Boekhorst deur Elten willen trekken, dan bun ik bang dat de hel daor
losbarst. De gevolgen zun dan niet te overzien!

Het
voorval met Jan Boekhorst en de dreigementen geuit aan het adres van Van den
Berg (de handlanger van Leopold) in Huissen was ook tot de man zelf doorgedrongen
en dus nam hij maatregelen. Hij stelde een verklaring van zijn onschuld op en
liet dat ter ondertekening aan Leopold in Duiven brengen.

Leopold
echter gaf de brief ongelezen teug aan de bode, die daarop mee naar de
gerichtsbode Boldte in Zevenaar ging. Deze liet de brief voorlezen aan Jan
Boekhorst in Zevenaar en kreeg te horen: O, die eerlijke man, ik heb de inhoud
van de aan mij meegegeven brief ook geweten en heb het aan den lijve
ondervonden. Nu speelt hij ineens de onschuld! Ik wil dat wel in de brief aan
de werver Leopold laten zetten, dan kan Boldte meteen getuigen dat ik het
eigenhandig heb ondertekend.

Elten
Mobiliseert

In
de 18de eeuw vielen de tegenwoordige gemeenten Zevenaar en Duiven onder het
voormalige Kleefse Ambt Lijmers, bestuurlijk ingedeeld bij het Koninkrijk
Pruissen. Elten echter was een staat in een staat met een eigen
zelfstandigheid. De abdis, tevens Fürstin, was soeverein over het Stift Elten.
In haar naam was de Ambtman belast met de uitvoerende macht. Ongetwijfeld heeft
dit alles een stempel op de Eltense gemeenschap gedrukt: eigen wetten en
gewoonten. Het saamhorigheidsgevoel in Elten - mede door de
uitzonderingspositie - woog er zwaar. De berichtgeving ging van mond tot mond.
Na de "late kerk" op de eerste paasdag was iedereen in Elten op de
hoogte van het gebeurde met Jan Boekhorst. Velen waren na het middageten in
Zevenaar zelf een kijkje gaan nemen bij "De Moriaan", waarbij vrouw
Jochems, de waardin, een handje had geholpen om Jan met zijn vrienden in
contact te brengen. Ook hadden ze gezien hoe de ronselaar en Boldte Jan hadden
overgebracht naar het Raadhuis. Dit alles had in hoge mate hun ongenoegen
opgewekt en ze overwogen ontzetting van de gevangene.

Bij
het invallen van de duisternis was de schutterscompagnie bijeen gekomen om met
het vuur van de paaskaars op te trekken naar de berg en het paasvuur aan te
steken en de Judaspop te verbranden. De gloed van het oplaaiende vuur verhoogde
de spanning en dit gaf de aanzet tot een plan om Jan Boekhorst te bevrijden. Na
afloop van het paasvuur kwamen de actievoerders samen in "De Witte
Zwaan" om dit plan te bespreken waarbij van alle kanten hulp werd
toegezegd. Zoals later de Eltense veearts Buggelkamp het uitdrukte, waren ze
weer eens "één voor allen en allen voor één". Uit alle hoeken en
gaten, verstopt in de woningen, kwam lood en kruit te voorschijn. De overval op
Zevenaar moest en zou een succes worden! Bevreesd voor geweld deden de Eltense
autoriteiten alles om het getij te keren: Ambtman Streuff had op maandagmorgen
zijn schout naar Zevenaar gestuurd en samen met Boldte had deze een onderhoud
met Jan Boekhorst gehad, waarbij tegen Jan gezegd was:

"Als
je vrijwillig dienst hebt genomen, moet je ook dienen. In geval van dwang,
krijgt de ambtman je vrij, zelfs als je in de vesting Wesel was gezet".

Nu
werd door de schout huis aan huis aanzegging gedaan: "Mensen maakt alstublieft
geen tumult, pleegt geen geweld. Ambtman Streuff is bezig Boekhorst vrij te
krijgen". Maar dit hielp niet meer, ze namen het recht in eigen hand.
Streuff kon hun nog meer vertellen. Om 10 uur 's avonds kwamen de schutters en
hun handlangers, tot de strijd gewapend, te voorschijn uit de herbergen om in
groepjes in de richting Zevenaar te trekken. Hun aantal moet aanzienlijk zijn geweest,
want op het land van Schepen Gunther, nabij de kerk van Oud-Zevenaar, was
zoveel rogge platgetrapt dat de schade 2 ducaten bedroeg. Terwijl de groep zich
in de richting van de stad Zevennaar bewoog, stelde men daar op de bedreigde
punten wachtposten op. De Kerkpoort kreeg een dubbele bewaking.

De
geslaagde bevrijding

Boldte
had eten gebracht aan de gevangene in zijn cel onder het Raadhuis en de deur
weer in het slot gedaan. Tot dan toe was alles rustig geweest, maar opeens
tegen half twaalf ontstond een enorm tumult. Schietend en schreeuwen viel de
Eltense horde de stad binnen en het "Vivat Elten" daverde door de
stille straten in de richting van de Markt en het woonhuis van Boldte. Daar
aangekomen hield men halt voor het woonhuis van Reinier Cladder, de buurman van
Boldte, in de overtuiging dat dit huis van Boldte was. Met klopper en bijl werd
op de deur ingeslagen. Toen tenslotte een bevende oude man voor hen stond,
herkreeg men zijn bezinning en iemand zei: "Laot den olden man toch met
vrae, hij het er niks met te maken. Hij het ons niks in de weg geleit. Gao u,
Vader, maor weer ruhig slaopen, wij kriegen de goede wel te pakken!"

Boldte
had echter de schrik wel te pakken en liet zich niet zien. Bij het Raadhuis
gekomen schreeuwde men: "Godt domy Jan, waor bun gij, heruyt!" Iemand
riep bij het venster om Jan. De arrestant, die de stem kende, deed het luikje,
waar geen glas in zat van het haakje en meteen werden de geweerlopen op de
bewakers gericht waarbij het bevel klonk: "Maak de deur los anders
schieten wij hier alles kort en klein!" Maar de wacht antwoordde: "Dat
is niet meugelijk, ze hebben ons ingeslaoten." Toen ging Jan midden voor
het venster staan en schreeuwde: "Jongens astublieft, om Godswille schiet
niet. De wacht is net as ik eiges ingeslaoten! " Met bijlen en ander
breekwerktuig werd de deur uit de hengsels gelicht, iemand gleed naar binnen en
kwam met de arrestant terug. De bewakers kreeg als waarschuwing te horen:
"De eerste de beste, die het Raadhuis verlaat, totdat wij de stad uit
zijn, wordt neergeschoten." Ze kozen de wijste partij en bleven binnen!

De
aftocht door de Kerkpoort gebeurde in groepjes van 2, 3 of 4 personen. De
laatste bleven nog een half uur op de Markt achter en losten schoten om
nieuwsgierigen op een afstand te houden. Toen er in Oud-Zevenaar schoten te
horen waren, vertrokken ook zij in die richting. Twee personen waren getuigen
van hun aftocht.

Rick
Heister, een veearts uit Zevenaar, die zich ongemerkt tussen de groepjes had
gevoegd en vragen begon te stellen, moest ervaren dat hij niet welkom was. Op
de vraag van één van de mannen: "Waor motten wij hen als wij naor Husen
willen?"gaf Heister ten antwoord: "Gillie motten rechterhand den diek
opgaon, den bringt ollie van eiges bis het Looveer en dan bun je zo in
Husen". Als dank voor zijn uitleg zetten ze hem op zijn kop in de modder
en schoven hem toen onder de doornheg met de boodschap: "Gij kunt daor
slaopen! "

In
de voorstad van Zevenaar woonde Heemraad Fontein en hij had de terugtocht van
de Eltense gadegeslagen en zag hoe zij vanaf de Oud-Zevenaarse kerk via de
Holthuyssensche Kerkweg (thans Dijkweg) en de Kleefse Landstraat in de richting
Witte Kruis in Babberich vertrokken op weg terug naar Elten. Daar aangekomen
werd het feest van de geslaagde bevrijding van Jan Boekhorst tot in de kleine
uurtjes voortgezet.

Zevenaar
pleit zich vrij

Terwijl
in Elten de overwinning gevierd werd, zaten de Duivense bewakers in het
Raadhuis te Zevenaar te wachten op hun vrijlating. Toen ze om 6 uur in de
morgen van 2 april mochten vertrekken, togen ze gelijk naar de woning van
Boldte, die blij was zijn wachtcorps ongedeerd te zien. Toen hij hen wilde
verwelkomen, riepen ze hem toe: "Gij en de burgermeester hoeven ons niet
meer bij zulke lui op wacht te zetten.We meugen blij sin, dat wij 't levend afgebrocht
hebben".

Ook
aan districts-inspecteur Bötticher was het tumult niet onopgemerkt voorbij
gegaan. Hij besefte dat hij zich in een netelige positie bevond. Uit het relaas
dat de bode hem deed over de gebeurtenissen van de afgelopen nacht, trok hij de
conclusie dat hem geen schuld kon treffen, al was zijn macht en aanzien wel
enigszins geschaad. Hij gaf de bode voor die dag vrij van dienst en verzocht
hem morgen, 3 april zijn verklaring schriftelijk bij het Koninklijk Gerecht te
laten vastleggen. Zelf zou hij het transportcommando uit Wesel opvangen en
uitleg geven over de gewelddadige uitbraak.

Toen
sergeant Müller en zijn oppasser uit Wesel tegen de avond inderdaad arriveerden
om de gevangene op te halen, was hun verontwaardiging groot bij het vernemen
van de toedracht. Bötticher werd hiervoor verantwoordelijk gesteld. Niet alleen
kon hij de beschuldigingen afwijzen, hij stelde zelfs dat hier de fout bij het
leger lag: er waren 3 dagen overheen gegaan, terwijl men in Wesel voldoende
tijdig was ingelicht; bovendien was Zevenaar niet, zoals Wesel, een bijna
onneembare vesting, die op buit beluste indringers kon weren. De belastingen
aan de Krieges- en Domeinenkammer waren uit het Ambt Lijmers verdwenen, zodat
er geen militaire voorzieningen konden worden getroffen. Sergeant Müller en
zijn hulp moesten onder hoongelach der burgerij, tenslotte onverrichter zaken
naar Wesel terugkeren. Woensdag 3 april 1782 stelde Bötticher zijn collega
Streuff in Elten op de hoogte van de gebeurtenissen. Hij liet niet na vermelden
dat hijzelf wel alles in het werk gesteld had om Jan Boekhorst vrij te krijgen,
al gingen nu wel de geruchten dat hij, Bötticher zelf, mede verantwoordelijk
zou zijn voor deze ronselpraktijken, wat natuurlijk een onwaarheid was.

Ook
aan de verantwoordelijke commando-luitenant liet Bötticher weten dat hij het
onverantwoordelijk vond om huislieden wacht-en waakdiensten te laten doen, dat
zou van hogerhand anders moeten worden geregeld. Hij verleende in het vervolg
geen medewerking meer aan zulke praktijken. Tenslotte hoopte hij dat deze
troebelen van voorbijgaande aard waren en dat de weg door Elten voor iedereen
ongehinderd zou kunnen worden gebruikt. Zo, meende hij, was het voor iedereen
voldoende duidelijk, dat de schuld van dit alles niet bij hem gezocht kon
worden.

De
nasleep van het drama

De
eerste dagen. Na zijn bevrijding kreeg Jan veel vrienden en bekenden op bezoek.
Ook Van Huet wilde zich van zijn beste kant laten zien en bood Jan een geldsom
aan. Jan kreeg het advies om zelf de hoogte van dit "smartengeld" van
Van Huet vast te stellen, dit in een anoniem schrijven te vervatten en deze
brief dan mee te geven aan de postiljon Henrick Willemsen, die op de postkar
van Wesel naar Arnhem reed en dus langs zijn huis kwam. Willemsen kon dit dan
aan Van Huet afgeven.

Tot
1795 was de post een zaak van de steden, waar ze aan particulieren die
concessie kregen, werd uitbesteed. De overheid bemoeide zich - in tegenstelling
tot Pruissen waar wel een georganiseerd Koninklijk Postwezen bestond - in de
Republiek daar niet mee. De postkar - een wagen op twee wielen waarop de
postiljons met hun "valies" gezeten waren - deden de Posthuizen aan.
"Onder de klep" vervoerden de postiljons ook wel eens brieven te
eigen bate en hiervan maakt Jan gebruik. Op woensdag 3 april nam Henrick
Willemsen tegen vergoeding de brief van Jan in ontvangst en gaf deze in Duiven
af bij de schoenmaker Peter, een buurman van Van Huet, die beloofde de brief
aan de geadresseerde ter hand te stellen, zodra die weer thuis zou zijn.

Een
metselaar, Jacob Cornelissen, uit Elten was zondag 7 april bij Jan Boekhorst op
bezoek. Tijdens hun gesprek kwamen twee Duivense mannen, Bernard Looman en
Willem Spaan langs en Jan onderhield zich buiten even met hen. Terug bij Jacob
deelde hij mee: "Dat sin mensen uut de buurt van Van Huet en die vroegen
mien of Elbert Van Huet mien wol afkopen. Ik zei dat dat zo was en daorop
raodde ze mien aan um minstens 300 gulden te eisen, dat kwam mien seker
toe!" Daarop stelde Cornelissen voor: "Als het zo lig, gao ik alleen
naor Duven en praot met hem. Ik krieg het wel veur ow los, wat je nog tekort
bunt gekommen." "Zo mein ik 't niet" antwoordde Jan, "ik
mot afwachten wat het gerecht in Seventer erop uut dut." Jacob schrok
hiervan. Als hij nu meteen naar Duiven ging en probeerde die anonieme brief in
handen te krijgen en zodoende alles buiten het gerecht om te regelen, dan zat
er voorhem misschien ook nog wat aan.

Aangekomen
in Duiven bij Van Huet in "De Zwaan" probeerde hij daar zo
onopvallend mogelijk aan de weet te komen of de waard die brief nog in zijn
bezit had. Dat bleek inderdaad het geval en Van Huet vermeldde nog, dat hij van
plan was de brief naar het gerecht in Seventer te brengen. "Dat kun je
niet menen ", riep Jacob, "dan mot er van ow kant wat achter
steken". "Dat is ook zo", antwoordde Elbert Van Huet, "maor
gao gij dan eens met den Eltensen Ambtman praoten, hoe ik mien in deze zaak mot
holden. Ik wil bes wat geld geven als mien zoon Willem en ik weer ongehinderd
deur Elten kunnen gaon. Als u dat veur mien doen wilt, zit er veur ow ok wat
aan."

Dus spoedde Jacob zich naar
Elten voor een bemiddelingspoging. Ambtman Streuff was nogal verontwaardigd
over zijn bemoeienis met de zaak Boekhorst en hij begreep ogenblikkelijk, dat
deze man er meer mee te maken had, omdat Jan zelf geen brief had kunnen
schrijven aan Van Huet, daar hij enkel in staat was - met moeite - een
handtekening te plaatsen. Op korte termijn een gesprek met Van Huet te
organiseren, was hem ook niet mogelijk daar hij donderdag of vrijdag het
gerechtelijke verslag tegemoet kon zien.

Daarna zou hij zich beraden.

Jacob Cornelissen schreef
aan Van Huet: "Seer goede vrint Van Huet, ik, Jacobus Cornelissen laat Ue
weten alsdat de saak daar gij mij over gesprooken heb, dat staat stil bis
donderdag of vrijdag."

Na dit briefje hoorde Van
Huet geen taal of teken meer uit Elten. Prettig was voor de familie Van Huet
deze zaak allerminst, want vrouw Van Huet had van een plaatsgenoot, Bernard
Looman, te horen gekregen: "Gillie hebben den keerl verraoden en verkocht,
gillie sin verraoders. Ik kom nooit meer bij ollie; an ollie huus kan gin
eerlijk mens meer kommen." Daarmee was de maat vol en deponeerde Van Huet
de brieven bij rechter Van Rappard te Zevenaar en legde daar een verklaring af.
De stad Zevenaar liet de schade aan de aan de Raadhuisdeur herstellen door de smid
Jan Stockman, die daarvoor 6 rijksdaalders rekende. Ook het ondervragen van
eventuele ooggetuigen om namen van het Eltense "gepeupel" aan de weet
te komen verliep weinig succesvol. De Eltense rechter Van Hasselt kon evenmin
uitsluitsel geven. De onrust bleef echter voortduren en overal werd in de stad
maar raak geschoten.

Op 18 december 1782 werd het
dak van het spuithuisje bij de Hervormde Kerk stukgeslagen en de pompen en
brandkuilen vernield. Ondanks de beloning die door de magistraat was uitgeloofd
- een ducaat - om de daders aan te geven, waarbij geheimhouding was verzekerd,
werden de schuldigen niet gevonden.

Op 11 juni 1783 hield de
rechtbank te Kleve zitting betreffende de Eltense geweldpleging te Zevenaar. De
daarbij aanwezige 5 bewakers uit Duiven werden door overmacht niet in staat
bevonden de overvallers af te slaan.

Rechter Van de Sande kon
evenmin Eltense aanwijzen die zich aan vernieling en ontvoering hadden schuldig
gemaakt. De gehele afwikkeling van het 

proces duurde tot 30 juni
1786. De kosten van een en ander waren: gerechtskosten 80 rd. en 46 st. ;
directe kosten voor kapitein Von Rothenburg 45 rd. en 20 st.; de poorters van
Zevenaar voor huisvesting en bewaking van de rekruut 30 rd. en 45 st.;
boekhouder Van der Heyde voor zijn rekenwerk 12 rd. en 45st.

Behalve kapitein Von
Rothenburg, ging iedereen akkoord met de berekening en uitbetaling van de
schadevergoeding. De kapitein miste een hem toegezegde soldaat en verlangde als
compensatie 162 rd. en 6 st. Deze eis werd echter afgewezen. Men probeerde
Elten de kosten te laten betalen. Hoewel bode Asmout alles in het werk stelde,
kwam er uit Elten gen duit binnen. Misschien was het onder militaire dwang
mogelijk geweest, doch daarvan werd afgezien. omdat deze bedreiging in eerdere
gevallen geen resultaat had gehad. De betaling werd als volgt geregeld: de
boeren in het district van Frits Van Hasselt 20 rd.; het district Emmerich
waaronder de Lijmers ressorteerde moest de overige kosten betalen. Zo was er
recht gesproken binnen een rechtsbestel dat pas na een aantal jaren grondig
werd veranderd.

BRONNEN

Rechtelijke
Archieven der Kleefse Enclaves, nr.!811

Oud
Archief Zevenaar Nrs. 104, 1072; 1228; 1360; 1361; 1398; 1399; 1400; 1403;
1419; 1683.




                      


en ronselarij in de liemers