Kerspel in Groessen

03-01-2015 14:51

Kerspel Groessen, historisch beschreven.
Door Theo J G. Goossen, Zevenaar

Inleiding
Voor dit artikel heeft de kerk van Groessen model gestaan. Tastbaar is nog veel aanwezig en de geestelijke stromingen komen op tal van plaatsen aan de oppervlakte. De eredienst binnen de kerkmuren is tot nu toe weinig onderwerp van studie geweest. De bedoeling van mijn opstel is: de pastoor, de parochianen, de gebouwen en wat daar mee samenhangt te belichten.
Dankbaar maakte ik gebruik van artikelen van Dr. R.R.Post over de Kerkelijke verhoudingen in Nederland vóór de Reformatie uit 1954 en van de streekhistoricus wijlen de heer A. G. van Dalen, “Het kerspel Groessen door de eeuwen heen” (1953).
Moge deze bijdrage bouwstenen aanvoeren tot het leren kennen van de wortels van het verleden, waardoor het heden gevoed wordt.

Het ontstaan van de kerkelijke organisatie
In de loop van de 4de eeuw hadden de Franken zich meester gemaakt van de Rijnprovinciën, België en Noord-Frankrijk; omstreeks 476 zijn ze tot aan de Somme doorgedrongen. Zij waren heidenen, terwijl de inheemse bevolking van Gallië grotendeels geromaniseerd en katholiek was. De eigenlijke stichter van het Frankische rijk is Clovis (481-511) uit het geslacht van de Merovingers. In het jaar 496 bekeerde Clovis zich tot het christendom. Hij en zijn opvolgers stelden zich aan het hoofd van de Frankische Rijkskerk waardoor zij de Frankische bisschoppen benoemden. De uitbreiding van hun rijk ging gepaard met de –niet steeds geweldloze – prediking van het christendom. In de kielzorg van de Frankische en Karolingische veroveringen kreeg de christelijke kerk vanaf de achtste eeuw ook in het huidige Nederland vaste grond onder de voeten.
De Liemers heeft ongetwijfeld onder die Frankische invloed gestaan. De Oude IJssel is er de grens van geweest. De verering van de Frankische heiligen is een tekenend verschijnsel van deze Frankisch-christelijke invloed, o.a. Sint Remigius, de man die Clovis tot het christendom bracht, te Duiven. In het bijzonder ook van Sint Maarten, de Romeinse officier, later bisschop van Tours, die onder de Franken de nationale heilige werd. Aan hen zijn de meeste oude kerken gewijd. Dit wil natuurlijk niet zeggen, dat al deze kerken teruggaan op de Frankische periode van vóór Willibrord, wel echter, dat er de invloed ervan een en ander van blijvende aard is gebleken. Voor de christianisering van beduidende omvang was de Frankische Kerk in deze eeuwen te zwak en geestelijk te weinig toegerust.
De kerstening van het Noorden was grotendeels het werk van de Angelsaksische Benedictijnen. De grootste van hen was Sint Willibrord, de apostel der Nederlanden, die in 690 in deze streken kwam. Een vestiging te Utrecht was nog niet mogelijk. Daarom ging hij naar het rijk der Franken, waar hij enige tijd als missionaris arbeidde. Later, in 695, reisde hij naar Rome, waar de paus hem tot missiebisschop wijdde. Na zijn terugkeer zou hij nog geruime tijd, onder bescherming van de Karolingische hofmeiers, zijn arbeidsveld beperken moeten tot de noordelijke streken van het Frankische rijk. Eerst na de nederlaag van de Friezen in 719 was het mogelijk ook aan hen het evangelie te verkondigen en kon hij zijn bisschoppelijke zetel vestigen te Utrecht.
Utrecht lag midden in het land, aan de grote verkeerswegen: de Rijn van oost naar west, de Vecht naar het noorden. Van hieruit kon Willibrord het best de belangen van de bevolking behartigen.
In 739 is Willibrord gestorven en begraven in de door hen gestichte abdij van Echternach in Luxemburg.
Over de eigenlijke evangelieprediking en de resultaten daarvan en vooral over de plaatsen waar zich kerkelijk leven ontwikkelde in samenhang met kerkstichting, is uit Willibrords tijd weinig met zekerheid. Uit die tijd worden enkele kerken genoemd. De oudste kerk van Emmerik kan een stichting van St. Willibrord zijn. Als stichter van de 8ste eeuwse kerk van Elst wordt de heilige Werenfried genoemd, die ook in de omgeving van Westervoort het Evangelie verkondigd zou hebben. Sint Lebuinus mag beschouwd worden als stichter van de kerk te Wilp. Hij is ook de stichter van de kerk te Deventer, dat voor hem in de tweede helft van de 8ste eeuw tot uitgangspunt voor de missie onder de Saksen werd. In die tijden was er christendom ten oosten van de IJssel nauwelijks sprake.
Naar wordt aangenomen, vertrokken vanuit de missiepost Elst de missionarissen die de Emmerikse Sint Maartenkerk hebben gesticht als eerste zendelingen naar de oevers van de Neder-Rijn en de IJssel.
Nadat het christendom in Achterhoek en Liemers vaste grond onder de voeten had gekregen, werden kerspelen opgericht. Helaas is van vrijwel geen enkel kerspel in ons gebied te achterhalen wanneer het is ontstaan. Ook de vraag of het kerspel zijn bestaan had te danken aan de vestiging van een nieuwe kerkgemeente of aan een afsplitsing van een al bestaand kerspel dat te groot was geworden, is niet meer te beantwoorden. Daardoor is het niet mogelijk om een betrouwbaar beeld te krijgen van het ontstaan van de Achterhoekse en Liemerse kerspelen en kan slechts een fragmentarische schets worden gegeven van de ontwikkeling van de kerspelorganisatie

Karolingische tijd
Waren de Nederlanden tijdens de Merovingen een belangrijke uithoek, Karel de Grote, zoon en opvolger van Pippijn de Jonge, maakte ze tot het middelpunt van een Europese heerschappij. Zij regering (768-814) wordt gekenmerkt door verschillende oorlogen, waarvan de meeste buiten de Nederlanden gevoerd zijn.
Het bestuur van het Frankische rijk werd door Karel, in de kerstnacht van het jaar 800 te Rome door de paus tot keizer van het westen gekroond, goed ingericht. Karel zelf bleef het middelpunt van het bestuur, maar een absolutistisch alleenheerser was hij niet. Minstens eenmaal per jaar kwam de rijksdag bijeen, het Meiveld. Daar verschenen de aanzienlijke edelen en geestelijken. Na hen geraadpleegd te hebben, stelde Karel de rijkswetten vast, de capitularia. Menigmaal gaven die aanvulling op de bestaande volksrechten, welke toen, op Karel’s bevel, op schrift gebracht werden, bv de lex Frisonum, de lex Saxonum.
De geestelijke rechtspraak van de bisschoppelijke en diaconale synoden was tijdens de latere Karolingen zeer uitgebreid: niet alleen kerkelijke zaken, misdrijven tegen ‘Gods wet’ in de ruimste zin waren daar behandeld - en deze wet omvatte ook alles, wat op erfrecht, huwelijksrecht enz. betrekking had - maar ook bepaald wereldlijke kwesties werden dikwijls bij voorkeur voor de goed opgeleide geestelijke rechters gebracht, of omdat de geestelijke een bijzonder geëerbiedigde persoon was, van wie het vonnis indruk maakte, of omdat de onzekere kans van de godsoordelen bij de geestelijke rechtbanken, die van deze in oorsprong heidense gebruiken een afschuw had, niet voorkwam.

Voor het plaatselijk bestuur was het rijk verdeeld in gouwen. Aan het hoofd kwamen ambtenaren te staan, de gouwgraven. Zij moesten zorgen voor de rechtspraak in hun gouw, het innen van de belastingen en het oproepen en aanvoeren van de heerban, de lichting uit de gouw. Het bestuur van de gouwgraven werd gecontroleerd door Koninklijke inspecteurs, zendgraven, die van hun bevindingen verslag uitbrachten.
Karel de Grote heeft veel gedaan voor de geestelijke ontwikkeling van zijn volkeren. Ook handel en nijverheid hadden zijn belangstelling, evenals de landbouw.
Karel de Grote begreep, dat de onderworpen volken niet enkel door het zwaard konden bedwongen worden, maar dat slechts het christendom in staat was een blijvende ommekeer te bewerken. Daarom streefde hij naar onderwijs. Hij verbeterde de hofschool en benoemde geleerde mannen tot abt en bisschop.
Omstreeks 800 ontvingen de Nederlanden de kerkelijke indeling, welke tot 1559 zou blijven bestaan. Onder het aartsbisdom Keulen ressorteerden de bisdommen Luik, Utrecht en Munster. De kerkelijke indeling berustte uiteraard op de aanwezigheid van kerken, die sinds de missioneringtijd alom in den lande verrezen, zij het ook in zeer eenvoudige vorm: veelal houten gebouwtjes van bescheiden afmeting.
De mogelijkheid bestaat, dat verschillende kerken, die in de 9de eeuw voor het eerst genoemd worden, al eerder – mogelijk in de 8ste eeuw bestonden, o.a. Westervoort, Duiven en Groessen.

Primitieve bewoning in Groessen en het in stand houden van een eigen kerk
Net als de Romeinen verdeelden de Frankische en Karolingische vorsten hun uitdijende koninkrijk in bestuursdistricten, gouwen genaamd. Een gouw lieten zij zich in hun naam besturen door een graaf of hertog. Vanwege deze titels werd een gouw ook wel aangeduid als graafschap of hertogdom. De graaf of hertog kreeg een gedeelte van het koninklijk grondbezit in leen en mocht dat namens de koning besturen op basis van de aan hem overgedragen Koninklijke bevoegdheden. Hij was dus een leenman, ook wel vazal van de koning die als leenheer het eigendom van de beleende goederen in handen hield. In de hoop om niet geheel afhankelijk te raken van hun vazallen, gaven de Frankische en Karolingische vorsten ook goederen in leen aan kerkelijke instellingen.
Het Karolingische rijk viel bij de dood van Karel de Grote (814) uiteen. Formeel behoren de Lage Landen nu tot het Duitse rijk, maar is weinig centraal gezag, vooral graven en andere plaatselijke bestuurders trokken de macht aan zich toe.
Op 23 maart 838 schonk Graaf Rodgar aan de St. Maartenskerk te Utrecht verschillende goederen gelegen in de gouw Leomeriche en elders, en ontving daarvoor andere goederen van deze kerk, gelegen te Groessen.
Bij deze transactie was een zekere priester Gerward bij aanwezig.
De exacte levensloop van Gerward valt niet met zekerheid te reconstrueren. Afgaande op de heersers zijn er de baas ook over diens archief en andere kostbaarheden.
Vóór of uiterlijk in 838 zou Gerward dan de priesterwijding hebben ontvangen.
Op weg van Nijmegen naar Aken zou hij volgens Einhard op het koningsgoed Gangelt, ten noorden van het huidige Brunssum, even over de Duitse grens, een vrouw hebben ontmoet die op wonderbaarlijke wijze was genezen. Mogelijk verliep zijn reis via Emmerik, waar Gerward op 7 februari ten overstaan van meer dan dertig getuigen een grote schenking uit zijn voorvaderlijk erfgoed deed aan de Utrechtse Sint-Maartenskerk, niet alleen goederen, voor zover te traceren in de Gelderse Achterhoek, maar ook 38 onvrijen die vooral worden genoemd. Op zijn beurt was een priester (presbyter) Gerward tien jaar later in Duiven getuige bij een schenking door een zekere graaf Rodgar aan dezelfde kerk. Het gaat hier om goederen in dezelfde streken waar ook Gerward van Gendt gegoed was geweest, en een gelijkstelling van de laatste met de als getuige genoemde priester lijkt niet te gewaagd.Voor Gerward auteurschap pleiten verschillende zaken. De eerste annalist is geïnteresseerd in het wel en wee van het Karolingische vorstenhuis. Ook bericht hij vaak uitvoeriger dan andere bronnen over de Noormanneninvallen in de Lage Landen. Zo vermeldt hij onder het jaar 846: “Naar gewoonte hebben de Noormannen Oostergo en Westergo verwoest en hebben zij Dorestat en twee andere dorpen in brand gestoken onder de ogen van keizer Lotharius toen hij in de burcht Nijmegen was maar er niet in slaagde het misdrijf te straffen.” En uit het jaar daarop weet hij te melden: “Voor het overige hebben de Noormannen alom de Christenen gebrandschat en hebben zij oorlog gevoerd tegen de graven Sigirus en Liutharius, en vanaf Dorestat hebben zij negen mijlen stroomopwaarts geroeid tot Meinerswijk en zijn, na er geplunderd te zijn, teruggekeerd.
De Karolingische beschaving is door de invallen van de Noormannen te gronde gegaan, slechts weinig overblijfselen bleven bewaard. Er heerste een toestand van regeringloosheid en verwildering. Dit was van voorbijgaande aard. Blijvend was, dat de macht van de groten in sterke mate toenam. In de nood van de tijd zagen steeds meer kleinsgrondbezitters gedwongen zich onderhun bescherming te stellen. Het aantal vrijen nam wederom af. Juist in de Nederlanden, in deze afgelegen streken van de Karolingische staten, deden de koningen zich weinig gelden tegen de Noormannen. Daardoor kwam de verdediging neer op de aanzienlijken, die de mannen opriepen ter verdediging en zich gemakkelijk allerlei Koninklijke rechten konden toe-eigenen.
Tenslotte was de toestand zo, dat de Nederlanden beheerst werden door een beperkt aantal machthebbers, dat de koning slechts in naam erkenden als leenheer en die steeds bleven op machtsuitbreiding.


De archeologische vondsten te Duiven leveren een beeld op van waarschijnlijk continue bewoning vanaf de Laat-Romeinse tijd. Van deze permanente bewoning in de vorm van nederzettingen getuigt ook de oudst bekende geschreven bron met betrekking tot de geschiedenis van Duiven: een oorkonde van 23 maart 838. Daarin is vrij vertaald onder meer sprake van een gewijde kerk met een hof, herenland en een hoeve met daaraan verbonden lijfeigenen te Duiven (Thuvine), van een herenhof met een kleine woning in Eltinge (Alatinge) en van een gewijde kerk met een herenhof en herenland te Groessen (Gruosna). Deze goederen waren bezit van Rodgar, onder meer graaf van de gouw de Liemers, die ze had geschonken aan de St. Maartenskerk te Utrecht. Bij het archeologisch onderzoek in het centrum van Duiven (voorjaar 1998) vond men de restanten van een droge gracht (in functie tijdens de hoge middeleeuwen), mogelijk onderdeel van de hof (curtis) en sporen van kerk met een kerkhof, waarschijnlijk de voorganger van huidige Remigiuskerk. Alatinge of later Altingen en Eltingen was eertijds een nederzetting van enige betekenis en in ieder geval belangrijk genoeg om het centrum te zijn van de toen gangbare hoforganisatie. In een akte uit 1405 is sprake van “dat aeling dorp tot Eltingen”.
In de acte van 838 zien we, dat graaf Rodgar de gewijde kerk van Duiven ruilt voor die van Groessen. De grootgrondbezitters handelen met en beschikken over kerken als particulier bezit. Dat was in die tijd heel gewoon. De meeste kerken waren particulier bezit van een of ander grootgrondbezitter. We moeten deze voor ons vreemde verhoudingen zien in het licht van die tijd. Het land was nog weinig bevolkt. Wat zal b.v. “villa Gruosna” zijn geweest?
Enige tientallen hoeven, bewoont door ongeletterde mensen, bijeengegroept op een wat hoger gelegen schol grond in een waterig laag land, geheel onbedijkt nog. Wanneer de rivieren buiten hun normale bedding traden, voor een groot gedeelte heel of half geïnundeerd werd en de verstrooide nederzettingen volkomen geïsoleerd. De primitieve hoeven in deze kleine nederzettingen waren opgetrokken in hout en leem: d.w.z. een vakwerk van zware eiken balken, ruw gefatsoeneerd, opgevuld met vlechtwerk, dat voor de waterdichtheid aan beide zijde met leem was bestreken. Het dak werd gemaakt van riet of stro. De hoeven waren oorspronkelijk bedrijven, die groot genoeg waren voor het levensonderhoud van één gezin.
Tussen deze eenvoudige hoeven stonden hier en daar de voorname hoven, de herenhoven, waarvan in de oorkonde van 838 ook wordt gesproken, net eender gebouwd, doch natuurlijk van grootser allure. Alles bij elkaar was het een plaatselijke samenleving van primitieve mensen met nog primitieve behoeften.
Geld speelde in letterlijke zin geen rol. De hele economie was nog bijna geheel op locale zelfvoorziening ingesteld. (familie economie) De mensen voedden en kleedden zich met wat ze zelf in hun kleine gemeenschap produceerden. Andere behoeften kende men niet. Enig luxe was alleen bij de groten bekend.
Plaatselijke organisaties die locale gemeenschappelijke belangen konden regelen, waren er niet. Daar was in die kleine afgesloten gemeenschappen geen behoefte aan. De onderlinge verhoudingen konden er nog bijna geheel door de familieorganisatie en de ongeschreven wetten van onderlinge burenhulp worden geregeld.
Het stichten en in stand houden van een kerkgebouw, hoe eenvoudig ook, het scheppen van de economische mogelijkheden, om de bedienaren van de Kerk het nodige levensonderhoud te verschaffen, vereiste toch een instantie, die, zij het nog zo weinig, afdwingen kon en verplichtingen opleggen. Met een dergelijk gezag konden alleen de machtigste grootgrondbezitters optreden. Zodoende was het eigenkerkwezen, dat in Gallië al lang bestond, bijna overal ingeburgerd, niet als ideale, maar in het geven omstandigheden het meest bruikbare systeem. De kerkheer zorgde voor de instandhouding van het kerkgebouw en de kerkgoederen. Hij ontving daarvoor de opbrengst ervan en de tienden, die de gelovigen moesten geven. Daaruit bekostigde hij mede het levensonderhoud van de kerkdienaren, dat door hem werden aangesteld. Wat overschoot was voor hem.
Het bezit van de grondbezitters die de grond niet zelf bewerkten, was georganiseerd in hoven. In die tijd spreekt men van villa, terwijl later villa de betekenis krijgt van dorp of buurtschap.
Een last, welke sinds de invoering van het christendom op alle gecultiveerde gronden rustte, waren de tienden. Zij diende oorspronkelijk tot vrijkoping van gevangenen, verdeling onder de armen en het onderhoud van de clerus, bestaande uit de bisschop en de parochiegeestelijken. Een tiende werd gevormd door het tiende tot het vijftiende deel van de opbrengsten van de grond en van de beesten, welke op die grond geboren waren.
Door schenking of overdracht van tienden en doordat leken als stichters van kerken konden optreden, waren vele tienden in handen van leken. De tienden waren daardoor hun oorspronkelijke bestemming onttrokken.

Het kerspel en zijn kerk.
Na 838 vinden we Groessen pas weer vermeld in een oorkonde van het jaar 970, waarin een hof te Grese genoemd wordt. Grese wordt in één adem genoemd met Hosla en Thuvine, (Hoeselarij en Duiven). In een oorkonde van 3 augustus 970 bevestigde Otto I op verzoek van Graaf Wichman dat hij een schenking deed van 17 hoven aan de Abdij Elten waarvan enige gelegen waren o.a. in Groessen en Duiven. Het Tijnsboek van het Adellijke Jufferenstift te Hoog-Elten vermeld (eind 14de eeuw) diverse bezittingen in de Liemers. Daarin komt onder andere voor: “Gherit Smeerhen is schuldig van een stuk land, de Tempel geheten, gelegen in de parochie Groessen een oude Brabants muntstuk”.
De Abdij had goederen in Duiven, terwijl de kerk van Duiven onderhorig was aan die van Groessen.
Telkens weer vinden wij in oorkonden melding gemaakt van de stichting van nieuwe kapellen, hetzij omdat de dichts bijzijnde kerk moeilijk te bereiken was, hetzij omdat een voldoend aantal bewoners zich op een zeker punt had verzameld, hetzij omdat men een grondbezitter, een adellijke veelal, het kerkbezoek gemakkelijk wilde maken door hem de bouw van een eigen kapel bij zijn hof of zijn kasteel toe te staan. De moederkerk, waaronder de kapel behoorde, behield dan de geestelijke jurisdictie over de bezoekers van de dochterkerk, bleef aanspraak maken op hun bijdragen ten behoeve van haar eigen onderhoud maar vergunde toch aan de kapel meestal haar eigen van die der moederkerk afhankelijke priester en altijd het recht om er de kinderen van de omliggende bewoners te dopen of hun doden op het nieuw aan te leggen kerkhof te begraven. Zo kwam het, dat vele dorpen op kerkelijk gebied van een ander dorp min of meer afhankelijk bleven. Zo kwam het, dat de goederen en tienden, oorspronkelijk aan de moederkerk alleen toekomend, werden verdeeld ten einde de kapellen te kunnen onderhouden en de priesters daarbij te bezoldigen. De ‘personae’, ‘plebani’, ‘rectores’, in de volkstaal ‘parochiepapen’, hadden dikwijls enige ‘vicarieën’, onder zich. Gewoonlijk werd de ‘prebende sacerdotalis’, het voor het onderhoud der priesters bestemde gedeelte der kerkengoederen, van het overige eigendom der kerk streng gescheiden gehouden.


Het godsdienstig leven in de Liemers (circa 1050-1384)
Gedurende de periode 1050-1384 was godsdienstig leven, globaal genomen, gelijk aan de beleving van de christelijke godsdienst in verbondenheid met de kerk van Rome.
Gedurende de elfde eeuw waren er door de invloed van de leken op kerkelijke benoemingen vele misstanden in de kerk gegroeid. Zij deden zich voor in vrijwel alle gebieden waarover de kerk zich in het Westen uitstrekte. Geestelijke ambten werden gekocht en verkocht, omdat er veelal de functie van leenman aan verbonden was. Vele geestelijken, die deze bekleedden, lieten zich weinig aan de verplichtingen van hun levensstaat. Het verzet hiertegen juist vanuit het lekenvolk, dat zich keerde tegen het kerkelijk establishment, had waarschijnlijk geen doorslag kunnen geven, wanneer dit ook niet elders had bestaan binnen de christenheid.
Het is nog een onduidelijke zaak in hoeverre bij de middeleeuwse gilden de religieuze broederschappen, die deze tevens vormden, ouder dan wel jonger van oorsprong zijn geweest dan de gilden zelf Een groot deel van de maatschappelijke taken, dat thans door een wereldlijke overheid worden behartigd, behoorde toen mede tot mede tot het domein van de kerk, vooral armenzorg, ziekenverpleging en onderwijs.
Bij het aanbreken van de 11de eeuw kregen de toen al begonnen veranderingsprocessen een meer zichtbare uitwerking. De agrarische sector stond voortdurend onder druk. Misoogsten en degene, die nog plundereconomie bedreven maakten de boeren uiterst kwetsbaar. Het ontbreken van vorstelijk gezag bood de plunderaars daartoe weer alle mogelijkheid. Verbetering trad in toen regionale vorsten hun gezag vestigden en ook deze bovenlaag min of meer hun wil op kon leggen. De bijdrage van de kerk aan de pacificatie van de samenleving in het Westen kwam neer op het oproepen van de militaire beroepsstand tot de kruistocht.
Niet minder de omvangrijke registers, opgemaakt, toen de paus volgens besluit van het concilie van 1270 een tiende deel van alle kerkelijke inkomsten verkreeg ten behoeve van een nieuwe kruistocht naar het Heilige Land.
Toen in 1274 en volgende jaren volgens de bepalingen van de kerkvergadering van Lyon, ten behoeve van de kruistochten de tienden van alle kerkelijke goederen werden geheven droeg ook Groessen bij: in 1276 gaf de pastoor van Groessen, Steven van den Boetzelaer, zes stuivers en acht denarieën af.
Groessen sloeg met zijn 38 stuivers een rijk figuur. Zij die minder opbrachten dan 7 ponden van Tours werden als arm beschouwd en bleven vrij van deze tiend. 
Wel beklaagde men zich bijna overal - en dikwijls terecht - over onrechtmatige inbezitneming van kerkelijke tienden en gronden door vorsten en edelen; wel lag bijna elk klooster met zijn wereldlijke naburen over betwiste rechten in proces, maar de godsdienstzin der leken blijkt nog in de 13de eeuw krachtig genoeg te zijn om hen te bewegen aanzienlijke schenkingen aan de Kerk te doen.
Een onderwerp van voortdurende moeilijkheden waren de tienden. De geestelijkheid, zich beroepend op de Mozaïsche wet, die aan de priesters een tiende van den oogst en van het jonggeboren vee toekende, had vooral sinds de synode van Macon in 585 haar aanspraken op tienden krachtig doen gelden en het is een feit, dat menige koning en menige graaf die aanspraken had erkend en bevestigd.

De kerk te Duiven kreeg omstreeks 1125 de volledige kerspelrechten. Een oorkonde uit 1131 vermeldt, dat de Utrechtse bisschop Andreas van Kuyck, voorheen proost te Emmerich, de kerk van Duiven onafhankelijk maakt van de parochie Groessen, dat omstreeks 1100 een kerspelkerk werd. Afgaande op het gegeven in de oorkonde van 1125 kan Groessen in 1125 nog niet zo heel lang zelfstandige parochie zijn geweest. Dat kunnen wij stellen rond 1100.
Een veronderstelling zou kunnen zijn dat Andreas van Kuyck de Groessense kerk de Heilige Andreas heeft toegewijd.
De bouwkunst vooral heeft veel aan de geestelijkheid te danken. Er waren wel wereldlijke bouwmeesters in die dagen. Wij weten bv van Keulse architecten, die tot diep in het Noorden, in de Friese streken, de bouwkunst der geestelijke metropolis aan den Neder-Rijn deden doordringen. Maar die wereldlijke bouwheren hielden zich toch meestal bezig met het oprichten van kerkelijke gebouwen, zo ongeveer de enige stenen bouwwerken in die dagen, als men de kastelen van de opkomende adel uitzondert. Bij het bouwen van die kerken en kloosters had men zich te richten naar de eisen van de kerkelijke dienst, naar het gebruik van de geestelijkheid, sinds eeuwen overgeleverd. Is het wonder, dat men onder de geestelijken tal van personen vond, die zich met de studie der kerkelijke bouwkunst bezig hielden ten einde te kunnen zorgen, dat de kerken en kloosters werden gebouwd volgens de eisen van de christelijke eredienst?


Vicarieën en eeuwige memories in de parochiekerk van Groessen.
In de 16de eeuw waren er in de Groessense kerk drie vicarieën met een eigen altaar.
Oorspronkelijk was de vicarie in de Middeleeuwen een afgezonderd vermogen waarvan de opbrengst bestemd was voor het onderhoud van een priester (een vicaris), die daarvoor aan een bepaald altaar een of meer heilige missen moest opdragen en in gebeden bepaalde personen moest gedenken en eventueel nog andere, in de stichtingsbrief bepaalde, taken opgedragen kreeg. De inkomsten van een dergelijk vicarie werden gegeven aan een door de stichter of zijn opvolger (een ‘collator’) uitgekozen vicaris die formeel door de geestelijke overheid (de bisschop) in dit geestelijk ambt gesteld werd. De vicaris was dan 'bezitter' van de vicarie geworden onder de verplichting de vicariegoederen te beheren en hij kon daarvoor optreden in het rechtsverkeer.
De oudste vicarie te Groessen was die van de H. Nicolaas, een heilige, die in de Middeleeuwen bijzonder vereerd werd, tevens van de H. Catharina en de H. Lucia.
Deze vicarie werd in 1410 gesticht door Johan Cloeck, op het huis de Berenklauw wonend, Johan ten Haeve van het huis Ryswyck, Arndt Voss, Alert in den Bongert en verdere “gemeyne kerspelluyden”. Het is dus een stichting van de parochiegemeenschap, zodat het collatierecht, d.w.z. het recht om een bedienende priester aan te wijzen, bleef aan de pastoor en “gemeyne nabuyren”, en wel kerkmeesters en kerkraden. De bepaling werd er bij gemaakt, dat men het altijd geven moest aan een arme priester en “nabuyrenkint”, en wel een priester die in de parochie geboren was. De vicarius mocht geen andere bedieningen in of buiten het kerspel erbij aannemen en moest in Groessen zijn verblijf houden. Hij had de plicht bij alle gezongen diensten, Missen, Vespers, Metten, Lauden, die op het hoogaltaar gehouden, hetzij als assistent, hetzij alleen met zingen, zijn medewerking te verlenen, tenzij hij orgel bespeelde. Verder moest hij natuurlijk de vastgestelde Missen op zijn eigen altaar lezen, aanvankelijk drie in de week, sinds 1494 vier.
De eerste schenking bij de stichting van de St. Nicolaas vicarie was vijf morgen land, geheten de Oldemaat. Dit was het Baerse leengoed die Aldemaet.
Jacob Valck kreeg in 1531 deze vicarie. Later, waarschijnlijk vanaf het tijdstip dat Valck pastoor werd, 1546 werd ze bediend door Reynder Noerdinck, die enkele jaren ook schoolmeester en kerkmeester was. Hij wordt in 1586 voor het laatst vermeld.
De fundatie bracht als bepaling mee, dat de familie van ten Haeve, die het huis en hofstede Ryswyck bezit, de collatie van deze vicarie in handen heeft. Zij mogen de hofstede niet verkopen. Moeten ze echter tot een verkoop overgaan dan blijft de vicarie daarbuiten en komt dan in handen van de pastoor en kerkmeesters. Toen daarom in 1816 of 1817 Rijswijk is verkocht aan de familie van Nispen tot Pannerden verviel de collatie van de Magdalenavicarie aan de pastoor en kerkmeesters.

De tweede vicarie was die van O.L.Vrouw en Sint Maria Magdalena. Ze was in 1433 gesticht door Arndt ten Haeff. Deze fundatie was gesticht voor ziel en zaligheid voor zijn vader Pelgrom ten Haeff, Ave zijn moeder en Jans ten Haeve. De collatie zou blijven behoren bij de oudste uit de erfgenamen, zolang deze de “huysinge ende hoffstatt Riswick” bezaten. De vicarie moest altijd aan en arme priester en “nabuyrenkindt” gegeven worden. Ook hier was de bepaling gemaakt, dat hij te Groessen moest wonen en het altaar persoonlijk moest bedienen. Aan deze bepalingen werd echter niet altijd de hand gehouden. Betreffende 1540 was Willem van Wese, pastoor te Duiven, vicarius op dit altaar. Hij was een “nabuyrenkindt”, immers zijn ouders woonden te Groessen, doch hij zelf zal zeker wel in Duiven hebben gewoond en was bovendien tegen de bepalingen in met een andere bediening belast. En of hij wel een arme priester was, staat ook te betwijfelen. Waarschijnlijk zal het begrip “arme priester” opgevat moeten worden, als één, die arm was, doordat hij nog geen voldoende bediening voor zijn levensonderhoud kon vinden. In het algemeen kwamen priesters niet voort uit families, die men tot de armen moest rekenen.
Dat men zich niet altijd aan de bepalingen hield, kwam omdat dit niet mogelijk was. Er waren meermalen geen priesters te vinden, om alle beneficies afzonderlijk te bezetten. Bovendien waren de fondsen, waaruit de bedieningen moesten worden bekostigd, vaak te gering. Dat was ook met het Maria-Magdalena-altaar het geval. Het bestond slechts uit twee morgen land op het Leuffense Velt, een hofstede te Leuffen, een stuk land aan de Aa, een huis en erf, waarop de vicarius woonde en drie en een halve morgen op het Neder-Wellevelt. Van de pacht hiervan moest de vicarius het doen: alle weken vier missen op zijn altaar lezen nl. op vrijdag en zaterdag en op twee andere dagen, zoals het hem het beste schikte. Verder eens in het jaar een jaargetijde voor de stichters en hun erfgenamen. Evenals andere vicarissen was ook hij verplicht bij alle gezongen diensten op het hoogaltaar te assisteren of te zingen, terwijl hij op de Apostelfeesten en de feestdagen van O.L.Vrouw de vroegmis moest zingen.
De vicarie had maar zo geringe inkomsten, dat ze in de 17de eeuw met de pastorie werd verenigd.

De derde vicarie was die van Sint Antonius Abt. Dit altaar werd op 10 november 1483 gesticht door Johan ten Haeff, Geert Mollen geheten van Berrevelt, Gaert Cloeck, Henrick ten Nes erfgenamen, Gerrit ten Nes en Hijntje van Lengel. De twee eerstgenoemde werden als de eigenlijke stichters vermeld in 1481. Zij hun erfgenamen behielden ook het collatierecht.
Deze stichting geschiedde met toestemming en goedkeuring van pastoor Stephanus van Boetzelaer.
De vicarius moest op zijn altaar wekelijks twee Missen lezen, op maandag en vrijdag. Verder had hij dezelfde verplichtingen als zijn confraters. Ook hier moest het een “nabuyrenkindt” zijn, daer bequaem toe is off in jaer vier off vyff toebequaem can worden. Ze kon dus ook gegeven worden aan een jongeman, die voor priester studeerde. Dergelijke stichting werd ook vaak wel gemaakt voor een jongen uit de familie de dorpsgemeenschap, die voor priester bestemd was. Zolang hij nog niet gewijd was, konden dan uit de inkomsten de studies voor een deel betaald worden. Doch dan gold als regel de bepaling, dat gezorgd moest worden, dat een andere priester de voorgeschreven diensten verrichten. In Groessen was dat ook het geval.
Goeswyn Lippert die al de vicarie in de kapel van ’t Loo bezat, verkreeg het altaar om zijn studies te vervolgen. Zo lang een priester was, deed Henrick Cloeck, vicarius van het Maria- altaar, de dienst. Lipperts wordt in 1517 nog als vicaris vermeld.
Over 1550 vinden we Henrick Jacobs als vicaris genoemd. Hij deed in 1567 afstand van zijn bediening ten behoeve van Nicolaes Valck, Jacobs zoon, die er zijn studies op kon voltooien en 1571 priester werd gewijd. Nadat hij in 1583 pastoor te Oud-Zevenaar was geworden, schijnt hij de vicarie te hebben behouden. In 1598 is ze in bezit van Willem the Laer, pastoor van Zevenaar. Aan de voorwaarden der stichtingsakten werd dus wel slecht voldaan, doch er zullen in die tijd voor alle beneficies wel geen priesters meer te vinden zijn geweest.


Een eeuwige levensverzekering.
Door overdracht van goederen aan de kerk vonden memoriestichtingen plaats. Dit betekent dat de pastoor en de vicarissen na de dood van de erflaters liturgische handelingen zullen verrichten ter bevordering van het zielenheil van de overledenen. De namen van de overledenen werden opgeschreven in het dodenboek van de parochie. Aan de hand van een dergelijk dodenboek of memorieboek wist de pastoor en vicarissen wie op welke dagen herdacht moest worden. Dit gedenken gebeurde door middel van het opdragen van een mis voor de overledene, het afkondigen van zijn of haar naam, bezoeken van het graf van de dode.
In Groessen zijn het er 18, ten tijde van pastoor Jacob Valck, waarvan vijf op het altaar van St. Nicolaas door de vicaris moeten gehouden worden, de overige op het hoogaltaar. Ze bestonden allemaal uit een enkel gezongen jaargetijde met vigilie, H. Mis en gebeden bij het graf daarna. Sommige met nog brooduitdeling aan de armen. De eerst, die vermeld wordt, is die van de heer Evert Kloeck tussen Pasen en Pinksteren te houden. Hij was de eerste vicarius van St. Nicolaes. De koster moest vier waskaarsen laten branden bij deze memorie. De volgende is die van heer Jacob van Lengel, een priester uit Groessen, waarvan de ouders op de Lengelhof gewoond hadden. Ze moesten eveneens tussen Pasen en Pinksteren gehouden worden, doch Jacob Valck had geordonneerd dat men dit jaargetijde in de vasten zou zingen, omdat “dat volck meer ende beter te kercken gaet”.
Daarna wordt de Berrevoetser memorie genoemd. Vroeger zijn er drie broers te Leuffen woonachtig geweest. De oudste was Derrick Berrevoetz, die als echtgenote had gehad, genaamd Meijntje; de andere broer was Harmen genoemd, derde broer heette Henrick Berrevoetz. Harmen en Henrick zijn ongehuwd gebleven. De familie was tamelijk rijk. Hendrick en Derrick vermaakten de kerk twee morgen land, dat in de Beemd lag. Zij hadden veel erven en goed in de Liemers. Wat God hun op de landerijen liet groeien aan gewas, dat aten zij. Was er geen tarwe of rogge gewassen, dan aten zij daarvan niet. Ook als er geen gerst, bonen, erwten, haver of boekweit was opgekomen, dan aten zij die niet. Zij aten niet anders dan wat de Heer hen verleende.
Er is een memorie van Willem van Weeze, pastoor te Duiven en vicarius op het Maria-Magdalena-altaar gesticht in 1540. De pastoor van Groessen moet met drie andere priesters en de koster het jaargetijde doen. Zij zullen betaald worden uit de opbrengst van hofstede dat te Groessen is gelegen. Bovendien geven zij uit die hofstede half mud tarwe voor bakken van brood, dat aan de armen uitgedeeld wordt. In 1541 sticht Willem van Weeze nog een eeuwig durende memorie, bestemd voor de Heer Steven van den Boetzeler. Tijdens de dienst moet de pastoor, drie vicarissen, de koster en de kerkmeesters op het koor aanwezig zijn. Zondags voor de te houden jaargetijde zal de pastoor op de preekstoel een afkondiging doen en een Onze Vader met de parochianen bidden voor het zielenheil van Steven van den Boetzeler en in de week daarna met vigilie en drie missen van requiem te tesamen zingen. Na de mis het graf bezoeken. De betaling zal geschieden uit een stuk land dat bij de Steenheuvel ligt.
De memoriedienst voor Engel Bloemendael werd in 1532 gesticht.
Van Jan Grijs memorie moeten de kerkmeesters alle jaren ten eeuwigen dagen toe met de pastoor, de vicarissen en de koster vigilie en zielmis lezen en zingen en daarbij een extra Onze Vader en een Weesgegroet bidden voor zijn zielenheil. De betalingen kwamen uit een huis met hofstede naast de Kolk in Groessen gelegen.
Van Steven Cloeck stond bij zijn jaargetijde opgetekend, dat de kerkmeesters zullen laten bestemmen een mud tarwe, en wel daaruit een aantal priesters-weggen bakken. Deze broden moeten aan de armen uitgedeeld worden. De uitgaven kwamen uit de pacht van het land, dat lag op de Hoge Aalborg.
Verder waren er nog jaargetijden voor Nen Conders, Wolter van Herwen en Johan van Merwick. Verder zij nog vermeld Elbert van Eltinge, allen mensen uit de kring van de adel en de geërfden
De Heer Henrick Jacobs, vicarius te Groessen heeft een eeuwig durende memorie gesticht, waarbij hij legaten aan de armen heeft vastgelegd.
Van al deze genoten de dienstdoende priesters en de koster hun presentiegelden, enige dubbeltjes (witpennigen) of stuivers, de pastoor, als celebrant meestal het dubbele der overige, die als zangers de dienst opluisterde.


De Caritas en het armenhuis in de parochie Groessen.
De eerste vermelding van een armenhuis vinden we in 1567-1568 en werd gebouwd op het kerkhof, belendend aan school en schoolmeestershuis. Het huis kwam tot stand tijdens het pastoraat onder Jacob Vallick en Kerkmeesters heer Reinder Noerinck, vicaris van St. Nicolaas, Roelof van Heeckeren en Jan Aelst. Met het sparen van een bedrag, afkomstig van de kerkrente, en met instemming van de parochianen kon er een armenhuis worden gebouwd (getimmerd) voor huisvesting van drie arme alleenstaande vrouwen. Zij kregen voor levenslang verblijf daarin. Van hen werd verwacht dat zij vroom zouden leven en de parochie zo veel mogelijk zouden dienen. Dat wil zeggen: wie het nodig heeft zullen ze naar vermogen helpen. Zijn er enige zieken in de parochie, die geen oppas hebben, zoals kraamvrouwen of andere gebrekkige lieden, die moeten ze tegen betaling helpen. Het loon moeten zij ontvangen, die voor de zieken kunnen betalen en die geen betaling ergens van kunnen krijgen, die zullen ze eveneens helpen naar hun vermogen. Tegen alle mensen zullen zij zich beleefd gedragen en devoot naar de kerk gaan als ze thuis zijn en niet in iemands dienst hoefde te helpen. De kerkgang hield in bijzonder op heiligendagen, ’s woensdagen vrijdags. In de H. Mis moeten zij voor alle zondaars bidden en de parochianen gaven hen dagelijks aalmoezen.
Wanneer zij horen dat er zieken zijn in de parochie, in het bijzonder bij de armen, moeten zij die dikwijls opzoeken, met hen spreken of er ergens gebrek is. Indien dat zo is gaan zij gegoede luiden, die in de parochie wat in te brengen hebben, inlichten. Dat kan zijn de pastoor, de kerkmeesters en de gildemeesters (in de 16de eeuw had Groessen al een gilde) of andere goede huislieden.
De bewoners van het armenhuis moeten zich deugdzaam en rechtvaardig gedragen. Niemand benadelen of bestelen, geen tuinen of vrachten openbreken, niet hoereren of zich met hoeren en boeven ophouden, niet schelden en schimpen, niet liegen en geen lasterpraatjes over andere mensen verspreiden. Wie zich niet aan de huisregels houdt en er wordt over geklaagd bij de pastoor en de kerkmeesters, die zal door de pastoor er uit gezet worden en de opengevallen krijgt een andere oude arm mens.
Wat ingebracht is in het huis, blijft in het huis, ook naar overlijden van een bewoonster. Datgene, wat niet in het huis meer nodig is zal de pastoor en kerkmeesters verkopen en het geld gebruiken voor onderhoud van het huis. De pastoor zal altijd moeite doen bij zieke mensen, dat zij wat geven voor de armen in het armenhuis om Gods wil, zodat het armenhuis rente kan ontvangen, waarmee het onderhoud aan huis en dak kan geschieden. Tevens moeten uit de inkomsten de armen in het huis onderhouden worden met brandstof en noodzakelijke levensonderhoud. Steven Cloeck gaf ook nog voor het armenhuis brandstof.
De armen moeten beloven, dat zij elkaar dienen, oppassen en verzorgen in ziekte, zoals het verschonen van het bed.
In 1568 gaven Roeloff van Heeckeren en Joffer Aryaen van Beest met instemming van hun kinderen drie Phillips gouden guldens jaarlijks aan het armenhuis. Deze jaarlijkse schenking moest komen uit een huis en hof, gelegen aan het einde van het dorp waar Hendrick Vermeer en Elisabeth zijn echtgenote in wonen en in pacht hadden. Deze hofstede was gelegen naast het pastoorskinderland.
Eveneens had de heer Henrick Jacobsz ook in dit armenhuis gegeven alle jaar vier daalder, om daarmee brandstof te kopen


Merkwaardigheden over de eerste kapel.
In Groessen bleef uit de zestiende eeuw een merkwaardig boek bewaard: “Het Ouwe Kerckenboeck” van Groessen, soo geschreven door den Eerw. Heer Jacob Vallick ( 1559 ), in des tijd gewesene Pastor in Groessen”. Toen deze pastoor een nieuwe pastorie ( wedem of weem) liet bouwen, schreef hij het volgende:
“Die kerspelkerk van Groessen is niet van begin altoost in het dorp gheweest, dan daar die wedem nu steed, dan schijnt off dat kerspel eertijds in den begin een cappel gehadt heeft, daer dat fondament off uytgegraven ende laten breken, doe ick die wedem getimmert heb. Want daer laegen de botten in van menschen, die daer eertijds begraven sijnt worden. Oock alle die plaets, daer den bonghert is, leyt vol menschenbotten. Ick heb daer dooden gevonden die in steenen commen begraven waren gheweest die in haer vollen harnas gelegen hadden ende sweerden beneven haer. Hieruyt is te vermoeden dat dat kerspel hier eerst begonnen is ende dat die kercke hier eerst gefondiert is geweest
Ick heb hier naer ghevraeght alde luyden die wel hoeghden, dat ons koor getimmert worden, dan dat op de wedemhoff een cappel geweest ware en wisten sy niet van etc. 
Bij de bouw stuit de pastoor dus op oude fundamenten en op de restanten van een kerkhof. Hij treft er sarcofagen aan, waarin geraamten liggen in harnas met een zwaard aan hun zijde. Hij geeft er een gedeeltelijke verklaring voor. Hij vermoedt namelijk, dat de parochiekerk op een andere plaats een voorganger heeft gekend in de vorm van een stenen kapel. Deze verklaring is echter niet erg waarschijnlijk. De toren van de huidige dorpskerk heeft een tufstenen kern. Ze wordt geacht er al in de twaalfde eeuw of eerder te hebben gestaan. Een stenen voorganger van de kerk op een andere plaats ligt dan niet voor de hand. Over de verklaring van de pastoor valt dus te discussiëren, maar er is weinig reden om te twijfelen aan wat hij zegt te hebben gevonden. Deze vondsten zijn ongetwijfeld uiterst merkwaardig en raadselachtig. Ze vragen om een verklaring.
Pastoor Jacob Vallick trof tijdens zijn opgraving anonieme stenen doodskisten.
Rond 1980 zocht de in oprichting zijnde historische vereniging voor Duiven en omstreken samen met de AWN- afdeling 17 (Zuid-Veluwe en Oost-Gelderland) naar locaties in de gemeente Duiven, die zich zouden lenen voor zinvol archeologisch onderzoek. Het oog viel daarbij op de boerderij “De Nieuwe Wem”, gebouwd op de plaats, waar de pastoor in de zestiende eeuw zijn “wedem” bouwde. Onder de vloer waren er ooit veel scherven gevonden. In het weiland voor het huis zat veel puin in de grond. Er had een (ronde?) gracht gelegen, die indertijd geëgaliseerd was. En dan was er nog het oude verhaal van de pastoor over een kapel en een kerkhof met ridders begraven in hun harnas.
In het najaar van 1981 en het voorjaar van 1982 werd door A.W.N.-afdeling 17 een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Er waren beperkende omstandigheden en het weer werkte niet mee. Toch werden grondboringen en metingen uitgevoerd en werden in de boomgaard achter de boerderij een aantal sleuven gegraven. J. de Grood schreef een verslag onder de titel: “ Licht op de duistere middeleeuwen”. In zijn “Conclusies” komen de volgende in dit verband relevante zinsneden voor.
‘Samenvattend blijkt dat er op de plaats van de Nieuwe Weem sprake is van oude woongrond met veel bewoningsresten zoals fragmenten bouwmateriaal, aardewerkscherven en botten. De bouwfragmenten bestaan uit baksteen- en dakpanbrokken, enige tufsteenbrokjes maar ook hutteleem. De aardewerkscherven dateren met uitzondering van de Karolingische tijd uit alle perioden van late ijzertijd tot en met recente tijden. De late ijzertijd, Romeinse tijd en late middeleeuwen zijn echter het sterkst vertegenwoordigd. Met de grond is veel gebeurd. Ze is niet alleen veredeld en verontreinigd maar er is ook in gegraven of ze is verplaatst om verhogingen te verkrijgen”. Al met al maakt de grond op de plaats van opgraving een sterk geroerde indruk waarin geen woon- of andere lagen te onderscheiden zijn” De mobiele vondsten, (waaronder een ruiterspoor, een zogenaamd prikspoor. Deze waren tot aan het eind van de dertiende eeuw in gebruik.) leren ons meer dan de bodem- en aardvormen. Er rest ons nog het verhaal van pastoor Vallick. Het feit dat we niets gevonden hebben dat op voormalige aanwezigheid van een Kerk of Kerkhof wijst, zegt weinig. Afgaande op het verhaal van de pastoor heeft de Kapel of Kerk op de plaats van de Weem zelf gelegen en heeft hij de fundamenten laten uitbreken. De gevonden brokjes tufsteen zouden wat schamele restjes hiervan kunnen zijn. Het Kerkhof met de sarcofagen lag in de toenmalige boomgaard en die zal wel op een andere plaats gelegen hebben dan de huidige en dichter bij het huis.” Onze vondsten geven dus geen aanwijzingen die het verhaal ondersteunen of afzwakken. Het was aardig geweest als we hierover wel wat ontdekt hadden hoewel dit niet het doel was van ons onderzoek.”
De vondsten geven dus geen aanwijzingen die het verhaal ondersteunen of afzwakken. Volgens een omwonende lag de kerk honderd meter verwijderd van de Nieuwe Weem, ten westen van de Masenpoel. Landschappelijk zou dat kunnen.
Bekend is nu dus, dat de grond rond de Weem in de betrokken tijd intensief in gebruik was. Maar de vondsten van de pastoor zijn nog even raadselachtig als raadselachtig.
Pastoor Jacob Vallick trof tijdens zijn opgraving anonieme stenen doodkisten aan.
Deze sarcofagen werden half in de grond gegraven en zakten door hun gewicht (ca. 1500 kg) tot het deksel in de grond. In vroeger tijden was het gebruikelijk dat rijke mensen in een stenen kist begraven werden. Soms was het zelfs zo, dat de kist met het lichaam erin niet onder de grond gestopt werd, maar in het kerkgebouw bleef staan. In sommige kerken ziet men ook wandgraven. Daar is het lichaam van de overledene in een sarcofaag in de muur van de kerk geplaatst. Het was gebruikelijk om het lichaam dan eerst enige tijd op een andere plaats te laten rotten zodat alleen het skelet een plaats in de muur kreeg. Sarcofagen zijn ook in Nederland en zelfs in Groessen gebruikt van het midden van de 11de eeuw tot het begin van de 13de eeuw. Die uit Groessen zijn van Bentheimer zandsteen gemaakt. Een sarcofaag is vleesetend. Soms al binnen 50 dagen is het lijk ontvleesd.
Bij de vroeg christelijke begraafplaats les Alyscamps in Arles staan honderden sarcofagen in de open lucht opgesteld. Dit komt overeen met de middeleeuwse denkwereld, waar juist het kerkhof betekenis had. In het begin van de Middeleeuwen had de anoniem geworden graftomben haar zin verloren. Wat telde was de vrij toegankelijke, omheinde ruimte met graven. Vandaar de behoefte om daar een naam aan te geven
In de oorkonde van 838 werd over een al bestaande kerk letterlijk geschreven “in villa Gruosna, ecclesiam dedicata” Het woord ecclesia en cimeterium zijn bijna synoniem als definitie voor een kerk waar de lichamen van de doden werden begraven.
De begraaffunctie begon in het inwendige van de kerk, binnen de kerkmuren, en zette zich daarbuiten voort. Het woord ”kerk” duidde dus niet alleen het kerkgebouw aan maar ook de ruimte er omheen.
Maar hoewel men een kerk liet bouwen met het doel er een begraafplaats van te maken, aarzelde men om een begraafplaats tot kerk te maken, vanwege de juridische regels. Er stond beschreven: “Als er doden begraven zijn voor dat de kerk gewijd is, mag de kerk niet gewijd worden.” Het concilie van Tribur in 895 schreef zelfs voor dat men, wanneer er te veel graftombes waren, men het aanwezige altaar moest weghalen. Daarom werd bij gebrek aan meer kerkruimte de oorspronkelijke plek verlaten en verplaatst naar buiten.
Deze overwegingen zijn mogelijk in Groessen toegepast. Men heeft +1150 de oude kerk verlaten en het huidige godshuis aan de Dorpstraat gebouwd.
Evenals in andere plaatsen, wilde men in Groessen de processie langs de plek van de oude kapel en begraafplaats laten trekken, om de doden, die in de omgeving van de Weemstraat begraven waren op het oude kerkhof, niet vergeten.

De Groessense pastoor Jacob Valck bestuurt zijn parochie als een goede leidsman.
In zijn boek “Kerkelijke verhoudingen in Nederland vóór de Reformatie van 1500 tot 1580” schreef Dr. R.R. Post: “Er zijn talrijke gevallen van schending van het celibaat bekend geworden. Ik vermeld hier even: Agricola en Erasmus. In Groessen, waar Jellis Vallick in 1531 pastoor was, was men zeer tolerant. Hij stierf in 1546 en werd opgevolgd door zijn zoon Jacob Vallick, zoals blijkt uit zijn kerkeboek een ijverig en welgemeende man. Jacobs zoon, Nicolaas, werd priester gewijd en deed 15 juni 1571 zij eerste H. Mis. Deze was later pastoor van Oud-Zevenaar”.
Als men het voorgaande gelezen heeft kan men natuurlijk zeggen, zie je wel vroeger kon dat allemaal. Ze maakte er niet zo’n punt van. Op zich zelf verbaast het ons, omdat wij meestal niet de aanleiding en achtergrond van de student en de pastoorsbenoeming kennen. Wij zullen daarom de persoon van pastoor Jacob Vallick maar eens nader onderzoeken.
De grote massa van de clerus heeft geen voet in de universitaire milieus gezet en andere filisofische en theologische scholen voor wereldheren (seculieren) waren er niet, ook niet aan de grote kapittels (bv Emmerich). Het gaat over de grootste groep, altijd nog 4000 op een bepaald ogenblik (in 1550), een groep die zich zelf voortdurend vernieuwde en telken jaren een toevoer van 180 nieuwe leden kreeg. Het is bijna zeker, dat de meesten, waaronder Jacob Vallick, geen ander schoolonderwijs hadden genoten, afgezien van de dorpsschool, dan van de stadsschool. Omdat Groessen ressorteerde onder het Aartsdiaconaat van Emmerich is hij mogelijk daar op de stadsschool geweest. Men noemde deze studenten ongebaarde klerken.
Wat heeft Vallick op de stadsschool geleerd? Voornamelijk Latijn en in zijn tijd ook Grieks, verder logica (dialectica) en retorica waaronder was begrepen het stellen en het schrijven van een mooie brief. Ook deden zij wat ervaring op in de kerkzang, omdat de schoolkinderen gewoonlijk op de zondagen de vaste gezangen van de H. Mis de antifonen van de Vespers en op enkele grote feestdagen bovendien nog enkele van de metten en lauden moesten zingen. Aan de plechtigheden gingen enkele repetities of zanglessen vooraf. Misschien was enig onderricht in de godsdienst (catechismus) niet geheel uitgesloten, maar wordt nergens vermeld, tenzij men de zondagslessen daaronder wil verstaan, waarbij epistel en evangelie van de zondag werden verklaard. De klerken kenden alleen het latijn goed, zodat het opviel, wanneer de pastoor geen goed latijn sprak.
De leeftijd van de stadsscholieren was gewoonlijk tussen 9 en 15 jaar. Nu doet zich een dubbele vraag voor: wat deed Jacob Vallick in de jaren die lagen tussen zijn schooljaren en zijn priesterwijding? En heeft hij zijn kennis na zijn schoolopleiding vergroot? En hoe? Dat hij iets moest bijleren spreekt vanzelf. Hij moest immers voor de wijding een examen afleggen bij een prelaat, die door de bisschop daarvoor was aangewezen. Hoe gering men de betekenis van dit examen ook aanslaat, het moet toch zeker aanleiding geweest zijn tot de studie van de hoofdzaken van de geloofs- en zedenleer en van de voorschriften of gewoonten van de liturgie. Maar deze studie van de theorie en praktijk werd geheel aan het persoonlijk initiatief en aan toevallige omstandigheden overgelaten. Dat betekende voor Jacob Vallick een persoonlijke studie waarbij hij leiding kreeg van zijn vader, pastoor Jellis Vallick. De talrijke, veelverspreide en uitvoerige handboeken over het christelijke geloof in het latijn en de volkstaal zullen m.i door Jacob, als kandidaat voor het priesterschap, bij de voorbereiding voor het examen geraadpleegd zijn.
Een grote waardering spreekt ook uit de plechtig vieren van de eerste H Mis, de primitiae. Dit blijkt ten eerste uit de hoeveelheid uitnodigingen, die werden verzonden. Op 15 juni 1571 deed Jacobs zoon. Nicolaas Vallick, zij eerste H. Mis. Zelfs pastores uit Arnhem werden daarbij uitgenodigd. Weliswaar was het verkrijgen van een aalmoes, het offeren door de genodigden, ook de bedoeling van een dergelijke uitnodiging. Het offeren was blijkbaar wenselijk om de kosten van de feestelijkheden te dekken.
Een niet onbelangrijke factor voor de standing van de pastoor, was de vrije ambtswoning, de weem. Het bestaan van een koehuis aan de pastorie wijst erop, dat de dorpspastoor Jacob Vallick een boerenbedrijf uitoefende. Hij had één of meer koeien en waarschijnlijk ook wel varkens en schapen. Hij kon zijn inkomen verhogen, of althans de uitgaven voor de huishouding beperken. Vrije woning, een klein boerenbedrijf en een salaris van ongeveer 100 gulden, daarmee moest een pastoor uit de tweede helft van de zestiende eeuw het doen.

Zoals ik al heb vermeld was de kerk in handen van een of ander grootgrondbezitter. Zo iemand had het benoemingsrecht van een pastoor. Men noemde deze persoon of instelling collator.
In een kerk waren bovendien, zeker na 1400, gefundeerde altaren, waar de pastoor of vicarissen diensten moesten verrichten voor de zielenrust van vermogende lieden. Deze beneficies geheten, dwz geestelijke waardigheid met daaraan verbonden inkomsten, zoals ik al vermeld heb, bestonden meestal uit landerijen en hofsteden die pachtgeld opbrachten. De familie van deze schenkers had dus invloed op de vraag wie als priester hun vicarie mocht bedienen.
De (kerk) patroon had bij de benoeming van een pastoor de voornaamste, althans de meest beslissende taak te vervullen. Hij verkoos de persoon uit aan wie hij de kerk wilde geven, en gaf deze de kerk. Hij was werkelijk de schenker van de kerk en heette daarom ook de collator of gifter. Verder droeg hij de door hem uitgekozen persoon aan de Aartsdiaken voor. Deze gaf aan de voorgestelde het recht om het geestelijk ambt uit te oefenen; dat is voor de pastoor een functie waaraan zielzorg is verbonden.
In Groessen presenteerden de parochianen de pastoor. De collator, het Huis Boetzelaer te Apeldorn in de omgeving van Kalkar, was dan verplicht die persoon aan te nemen.
Hoe Steven en Matthijs van de Boetzeler aan het Groessense pastoraat kwamen, is niet moeilijk te raden. Uit het “Kerckenboeck” blijkt namelijk dat het pastoraat van de Groessense kerk in het bezit was van het geslacht Boetzelaer. Hoe deze familie hieraan kwam, was voor Jacob Vallick een raadsel, omdat zij, volgens hem, nergens in de Liemers grond bezaten of ingeschreven stonden in een dijkboek. Pastoor Vallick had echter geen kennis genomen van het dijkboek in Babberich en Holthuizen. In 1546 stelde de dijkgraaf het aantal roeden vast in de Polder Babberich en Holthuizen voor de omslag tot dijkonderhoud. Als onderhoudsplichtige wordt in het polderboek: Derick van Boetzeler als eigenaar en grondbezitter in het gebied van de polder. Desgevraagd heeft Jonker van den Boetzelaer de pastoor geantwoord, dat een van zijn voorvaderen het van een Graaf van Kleef had gekregen.
In de St. Lambertuskerk te Apeldorn is een sterk afgesleten grafsteen van een heer van Boetzelaer te zien. Hij stierf in 1514. Steven van den Boetzeler 1483 en Matthijs van den Boetzeler vóór 1531 waren pastoors te Groessen. De beide van den Boetzelers lijken op de naam afgaande heel wat, doch beiden waren bastaards van het hoog-adellijk Kleefs geslacht. Matthijs heeft zich vermoedelijk nog te goed gevonden voor de nederige functie van dorpspastoor. Hij deed in 1531, gelijk velen in die tijd, de zielzorg en bediening aan een ander, namelijk Jellis Vallick over, waarbij hij zichzelf een gedeelte van de inkomsten voorbehield. Gezien de geringe som van 20 Hoornse guldens, per jaar, die de eigenlijke zielzorger- pastoor hem betalen moest, heeft Heer Matthijs het nog al schappelijk gemaakt,. Jacob Vallick heeft het na de dood van zijn vader (1547) nog drie jaren moeten betalen. Toen werd hij er, door het overlijden van de heer Matthijs van verlost. Ook de pastorie werd door Van Boetzeler vergeven, omdat de Groessenaren daar in het verleden ruzie om gemaakt hadden.


Jacob Vallick, huisvader en pastoor.
Teleurstellend is intussen te moeten lezen, dat in de Nederlandse middeleeuwse kerk tot aan de Reformatie het celibaat vaak werd geschonden. Toch staat vast, dat het leven als gehuwden aan de clerus was verboden, en dat dit verbod ook voldoende was afgekondigd.
Het meest opvallende echter is, dat de Vallicks ondanks de bepalingen met de huishoudster als gehuwden leefden. Of zo het toen uitgedrukt werd, dat Vallicks concubines in hun huis hadden en met haar leefden, kinderen in de pastorie opvoedden, en hun zoons in hun waardigheid lieten opvolgen, alsof er geen wolkje aan de lucht was. Jacob had zelf een hofstede, “die mettertijd pastoorskinderen toebehoort”(zoals hij noteerde).
De feitelijke toestand was dat de Groessenaren en ook de collator een clandestien huwelijk geduld hebben. De Emmerichse Proost van de St. Martinuskerk had dat maar te aanvaarden.
Eerst toen de apostolische vicaris Sasbout Vosmeer (1548-1614) de missiekerk opnieuw organiseerde en priesters van de nieuwe bedeling liet opleiden, kwam er een einde aan dit dulden van de niet celibatair levende geestelijkheid.
Uit het voorgaande blijkt, dat niet alle concubinarii geneigd waren tot het protestantisme en tenslotte zijn overgelopen.
Helaas is er over de verdere lotgevallen van de familie Vallick weinig meer bekend. Afgaande op hun beroep in combinatie met hun doopnamen en de zeldzaamheid van de familienaam in de Liemers is het te bijna niet te betwijfelen, dat die beide broeders Aegidius (Jelis) en Nicolaas Valck, die in de eerste helft van de 17de eeuw leefde, tot de familie behoorden. Zij moeten kleinkinderen van hun grootvader Jacob gewezen zijn. Aegidius, vooreerst genoemd als predikant in het Klevische dorp Griethausen (tegenover Emmerich), werd 1631 in Hummelo als gereformeerde predikant aangesteld. Daar stierf hij in het jaar 1636 waarschijnlijk aan de pest. Zijn broer Nicolaas, katholiek notaris in Zevenaar, was wel de vader van de eveneens katholieke Jacobus Valck uit Zevenaar, die op 22 april 1641 bij het Keulse gymnasium ingeschreven werd
Gewoon is echter, dat de priesters, die op dat punt de voorschriften van de kerk niet vervulden, ook geneigd waren tot het nieuwe geloof, dat het huwelijk van de predikanten toestond. In het begin van de 17de eeuw zien we sommige Vallicks als lidmaten bij de protestantse kerk in Didam en ander plaatsen opduiken.
Op 15 juli 1653 vraagt Nicolaas Valck of zijn neef Herman Valck de vacante predikantenplaats in de Gemeente van Didam kan krijgen.

Ondanks zijn zorg voor vrouw en kinderen heeft Jacob Vallick in zijn tijd als een uitstekende zielzorger gewerkt, wat blijkt uit zijn “Kerckenboeck”.
Pastoor Vallick heeft alles opgeschreven met het doel om zijn parochianen de dorpsschool door hun kinderen te laten bezoeken en om te leren wat rechten en plichten zijn.
De pastoor is niet verplicht door de week dagelijks de H Mis te lezen, tenzij zaken hem daartoe verplichten.
Wanneer er doden zijn, of als er een kraamvrouw haar kerkgang doet (zgn.hoedjeszegen), behoort de pastoor de Mis te lezen.
De kinderdoop moest door hem toegediend worden. Hij hield zich aan de liturgische diensten in de kerk, zoals zijn voorgangers deden.
Mensen geboren na 1950 hebben dit nooit gehoord en als ze het horen, wordt er onbegrijpelijk om gelachen. Maar toch zit er een diepere grond van volksgeloof in dit ritueel.
Om de diepere betekenis van dit gebruik te kunnen begrijpen, moeten we teruggaan tot het verre verleden.
Waarschijnlijk is dit reinigingsgebruik een overblijfsel van de Joodse gebruiken, waar de vrouwen als onzuiver werden beschouwd tot 40 dagen na de bevalling van een jongen en zelfs 80 dagen na de geboorte van een meisje. Als verzoeningsoffer moest de moeder, al naar gelang de rijkdom of armoede, een schaap of koppel duiven offeren en de eerstgeboren jongen moest zelfs vrijgekocht worden. (tempeldienst).
Zelf gedenken we op 2 februari (of Lichtmisdag) het feit dat Maria veertig dagen na de geboorte van Jezus naar de tempel gingom, volgens de joodse wet, haar eerstgeboren zoon aan God op te dragen. Oude benaming voor het feest zijn “Ons Lieve Vrouwe zuivering” en “Ons Heren presentatie”.
Volgens middeleeuws gebruik moest de kraamvrouw binnenshuis blijven en mocht zich niet op straat vertonen, noch bezoeken afleggen vooraleer ze haar kerkgang gedaan had en gereinigd was. Op de plaats waar een ongereinigde vrouw gelopen had zou, volgens dat gebruik, nooit meer gras groeien.`
In de periode vóór de uitzegening kon de kraamvrouw ook voor anderen gevaarlijk zijn, als de boze geesten haar omgaven. Ook daarom moest ze zich zoveel mogelijk binnenshuis ophouden; dus geen stap verder buitenshuis dan de dakdrup, ongeveer een halve meter.
De kraamvrouw mocht niet de traditie verwaarlozen, anders zou het hele dorp haar gebrandmerkt hebben.
De inhoud van de ritus was in de 16de eeuw als volgt:
Een kraamvrouw hoort drie waskaarsen mee te brengen. Pastoor Vallick leidt haar voor het hoogaltaar en legt haar het missaal op het hoofd. Hij leest het eerste evangelie van Johannes “in principio erat Verbum” en laat haar dan dat crucifix in het missaal kussen. De vrouw hoort een halve stuiver in het boek te leggen en daarna neemt de pastoor haar de kaarsen af en leest de mis. De vrouwen, die vermogend zijn nemen de pastoor als gast mee naar huis, zodat hij de vriendinnen en buurvrouwen verwelkomt. De vrouwen geven de pastoor een stuk koek of een paar wittebroden.

De kerkgang ging rond 1850 niet ongemerkt voorbij. De buurvrouwen kwamen het kindje aankleden en vergezelden de moeder naar de kerk. Na de opdracht van het kind bij het altaar van Onze Lieve vrouw, legde de priester het scapulier op. Tijdens de mis gingen de kraammoeder en de buurvrouwen ten offer. Na de mis trokken allen naar een winkel en café vlakbij de kerk. De kinderen uit de buurt, die de mis hadden bijgewoond, mochten een koekje komen halen. In de winkel had ook de koffietafel plaats.
Doorgaans was het vroeger gebruikelijk de kerkgang thuis te bezegelen met een kindjeskoffie. Vermoedelijk is in onze streken de bekende beschuit met muisjes hier een overblijfsel van.
.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                 

Afscheid van het aardse tranendal en opname in de eeuwige gelukzaligheid.
De christelijke begrafenis staat in het teken van de wederopstanding. Dit komt duidelijk tot uiting in de grafschriften en bidprentjes.
De mens heeft ambulante gevoelens ten aanzien van dit ultieme afscheid. Men heeft verdriet om het verlies van een dode, maar men heeft ook angst voor de dode.
De nabestaanden vreesden dat de overledene hen wilde meenemen in de dood, of dat de dode de overtocht naar de hemel niet zou maken. Een dergelijke ziel zou blijven rondspoken en de mensen lastig vallen. Men stelde bijgevolg alles in het werk om de overtocht zo goed mogelijk te late verlopen en om de terugkeer van de doden te bezweren.
Een gelovige moest zuiver zijn en vrij van zonden om naar de hemel te kunnen gaan. Bij een stervende hoorde de pastoor de laatste sacramenten toe te dienen en indien nodig deze aan te sporen om zijn testament op te maken
De angst om eeuwig te schroeien in de hel was groot.
Voor de berechting werd naast het sterfbed een gelegenheidsaltaar geïnstalleerd. De kaars die de stervende in zijn hand hield, werd in de volksmond ook wel de "reisstok" genoemd. De dood werd verkondigd door het "wenen" van de klok.
Men moest allerlei rituele voorschriften in acht nemen om te verhinderen dat de ziel van de dode terug zou keren.
Men sloot de ogen van de dode, bedekte de spiegels, hield de ramen en rolluiken gesloten, en keerde de glazen om, om te beletten dat de ziel van de dode zich erin zou schuilhouden. Opdat de dode niet het geluk van het huis met zich zou meevoeren, werden haarlokken en stukjes nagels van handen en voeten weggenomen en bewaard in de familie. Van oudsher wordt aan menselijk haar een bijzondere (levens)kracht toegekend. Soms maakte men ter nagedachtenis ook haarsouvenirs uit de lokken van de overledene.
De dode werd thuis afgelegd en opgebaard op het bed waar hij zijn doodsstrijd had afgestreden, gekleed in zijn mooiste hemd, zijn zondags pak of zijn huwelijkskledij.
Het wassen en afleggen van het lichaam, en het waken bij de dode was een burenplicht.
Als laatste groet gaf men de dode een kruisteken met een wijwater gedrenkte palmtak.
Men waakte bij de dode en bad voor zijn zielenrust. De lijkgeur wed verdreven door middel van allerlei huismiddeltjes zoals het branden van wierrook en het leggen van versgemalen koffie onder het sterfbed.
Het leven van de rouwende stond stil: de klok werd stilgezet, er mocht geen muziek gespeeld noch gefeest worden. Men droeg zwarte rouwkledij opdat de familieleden onherkenbaar zouden zijn voor de dode. De duur van de rouwperiode hing af van de verwantschap met de dode en zijn sociale positie.
De begrafenisplechtigheid met de koffietafel of "uitvaart" is een definitief afscheid aan de overledene. Het dode lichaam wordt bij de familie weggehaald en krijgt een definitieve rustplaats op het kerkhof.
Hoewel de dood de 'grote gelijkmaker' noemt, komt bij de begrafenis de sociale stand van de overledene duidelijk tot uiting. Voor de kerkelijke uitvaart bestonden verschillende klassen. Tot ongeveer 1940 was het gebruikelijk om na de eerste-klasse-lijkdienst brood uit te delen aan de armen. Pas vanaf 1953 werden de lijkkoetsen vervangen door gemotoriseerde lijkwagens.

Tot in de 16de eeuw hebben onze voorvaders de nabeschreven diensten gedaan, schreef pastoor Jacob Vallick:
In de vasten predikten de pastoors tweemaal in de week en wel woensdags en vrijdags en verder alle heilige dagen. Jacob Vallick heeft enige jaren op zondagmiddag gepreekt en de catechismus uitgelegd aan jonge mensen. Hij overhoorde de lessen. Samen zongen ze in de landstaal de tien geboden, de twaalf artikelen des geloofs en het Onze Vader. Deze samenzang werd hem verboden. De overheid, vooral de Drost en de Proost dreigden hem met straffen als hij daarmee zou doorgaan. Het preken werden hem niet verboden. Omdat er niet meer gezongen mocht worden, bleven de jonggelui weg en de pastoor liet de zondagmiddagsamenkomst maar vervallen.

 

De taak van de koster en schoolmeester.
De functie van het kosterschap hoort de pastoor te geven aan iemand uit de parochie, dwz de pastoor met de “gemeijne nabuyren”. Er behoort een vrije hofstee bij, dwz huis met erf, dat indertijd door de familie ten Haeff, die op het huis Rijswijck woonde, was geschonken. Hiervoor had de koster de verplichting de wekelijkse Mis, die op het altaar van Maria Magdalena opgedragen werd, te helpen zingen.
Verder behoorde bij de kosterij noch enkele dreven land, een wei en een tiend van een ander stuk land. De koster kon deze zelf gebruiken, of als hij wilde ze ook verpachten.
Zijn verdere vaste inkomsten bestonden uit preuven (recht op vaste giften). In de eerste plaats moest elke boer, dwz geërfde en pachter, hem in de oogsttijd een half vim goed zaad geven. Jaarlijks waren zij bovendien gehouden hem twee broden en een metworst te bezorgen, en met Pasen een aantal eieren. De kleine boeren of kotters gaven minder.
De duiven, die in de toren nestelden, behoorden de koster toe. Die op de gewelven van de kerk hun heil zochten waren voor de pastoor.
Dit waren de vaste inkomsten voor de koster. Daar kwamen de toevallige baten als presentiegelden voor zijn bijstand bij gezongen diensten, begrafenissen e.d. bij. Dit verval echter was niet bijzonder groot.
Zijn verplichtingen zijn: allereerst het goed bewaren van de ornamenten van de kerk en het gewone dagelijkse onderhoud van het kerkgebouw, jaarlijks moest hij de ornamenten tonen bij het afhoren van de kerkrekening in het bijzijn van de kerkmeesters en “gemeyne buyren”. Dan werd hem verantwoording gevraagd over wat niet in orde was.
De koster hoort de kerk voor de vier hoogtijdagen schoon te maken, vliegenstront, stof en spinnenwebben langs het gewelf, de muren en de ramen met een lange bezem te verwijderen. Het priesterkoor hoort hij ook te reinigen op Sacramentsavond, Kermisavond. Hij hoort ook meien (bloeiende takken) te halen en die uitstrooien in de kerk met allerlei bloemen en welriekende kruiden. De koster behoort dit ook te doen met O.L Heer Hemelvaart en Pinksteren.
Hij moest ook zorgen dat het uurwerk in de toren de tijd goed aangeeft.
Alle dagen moest hij bij zonsopgang en ondergang het Angelus luiden en ’s middags om 12 uur luiden ter ere van het lijden Onzes Heren. Verder moest hij voor alle missen luiden en ook voor Metten en Vespers. Als die er waren. ’s Zondags en op feestdagen ook bij de elevatie onder de Hoogmis. Tenslotte als er Te Deum werd gezongen, als de processie trok.
Wanneer iemand is overleden, dan behoort de koster deze driemaal te overluiden met alle klokken. Eerst luid hij drie met drie tussenposen met de kleine klok en klept daarna drie of viermaal als het een manspersoon is. Is het een vrouwspersoon dan klept hij tweemaal en bij een kind eenmaal.
Wanneer er zwaar onweer is of op komst is met stormwinden en dergelijke dan moet de koster na de kerk gaan en de naaste buren oproepen, die hem helpen luiden.
Zoals op het platteland gebruikelijk, was de koster tevens schoolmeester. Om school te houden had de kerk hem een huis gebouwd, zo deelt Jacob Valck mee.
Daar de inkomsten, die de boeren hem voor het schoolmeesterschap moesten opbrengen, niet bijzonder groot was, had men bepaald, dat de schoolgelden, die de leerlingen moesten betalen, geheel voor hem waren. Het schoolgeld, dat betaald moest worden, werd bepaald naar wat men te Zevenaar had te geven.
Men zou hieruit kunnen afleiden, dat er bij de boeren niet zo bijzonder veel waardering voor de school was. Zij waren, terwijl hun preuve, die ze opbrachten te gering werd geacht ook traag in het betalen van het schoolgeld, zodat een aantal jaren uit de kerkekas acht daalder per jaar aan de koster-schoolmeester was uitgekeerd, om zijn inkomsten aan te vullen van die kant werd ook nog 4 daalder ’s jaars betaald om de schoolmeester in staat te stellen kosteloos onderricht te geven aan arme kinderen.
Al moeten we deze geringe bedragen niet beoordelen naar de maatstaven van deze tijd, noch wat de waarde van het geld betreft, noch wat het belang aangaat, dat onderwijs voor de samenleving heeft, heel royaal lijkt het allemaal toch niet. Wat de waarde aangaat is de vier daalder besteed aan het onderwijs aan arme kinderen, gelijk aan enige weeklonen van een ambachtsman. Niet veel, maar als emolument bij de andere inkomsten toch ook weer niet te veronachtzamen. Met de goederen, de schoolgelden en acht daalders uit de kerkekas zal het toch wel een bescheiden inkomen gevormd hebben. Het was althans zoveel waard, dat in Jacob Valck’s tijd een der vicarissen, Reijnder Noerdinck, het ambt van schoolmeester vervulde. Dat de kerk zoveel interesse toonde is bepaald wel aan de persoonlijke invloed van pastoor Valck te danken geweest, Die immers prijs stelde op beterontwikkeling van zijn kerspellieden, getuige zijn zondagmiddagconferenties. Deze waren er op gericht de mensen meer kennis bij te brengen op het gebied van de geloofswaarheden. Dit veronderstelt, dat hij als grondslag hiervoor ook de elementaire intellectuele vorming waardeerde.
Wat de waarde van het onderwijs betreft, weten we niets. Dat een priester, die in het algemeen wat wij zouden noemen, middelbaar onderwijs genoten had, als schoolmeester fungeerde, zegt natuurlijk iets. Dat we geschriften kennen van kerkmeesters, gewone boeren, die niet meer onderwijs genoten hadden, dan wat op hun dorpsschool gegeven werd, zegt nog meer. Ze waren in staat de boekhouding van de kerk bij te houden, zeer eenvoudig natuurlijk, maar dan toch in staat tot rekenen, lezen en schrijven. Het schijnt nog al meegevallen te zijn met het peil van de school. Dat de Kerk zoveel belangstelling voor de school had, school ook in een praktisch motief. Uit de leerlingen toch werd het knapenkoor gevormd, dat bij alle gezongen diensten met de priesters de plechtigheid door de zang opluisterde. Het zal wel zo geweest zijn, dat de koster met de priesters het veranderlijke gedeelte, het jongenskoor de vaste gezangen zong.
Ook met het klokluiden en misdienen moesten de “schoelres” helpen.
Dit is het wat Jacob Valck over de koster, school en schoolmeesters ongeveer meedeel.

In De Lange Schoolweg van J. W. van Petersen lezen we: In 1566 wordt een koster en schoolmeester Lambert van Rijswijk genoemd.
Bekend is, dat Andries Goesen Glaseman of Glasenap in de jaren 1625-1654 het kosterschap uitoefende. Of hij ook schoolmeester was, wordt niet vermeld. Johan Thönissen staat in 1652 en 1654 als schoolmeester te boek. Als koster komt hij van 1662 tot ca 1680 voor; ook vervulde hij de functie van schout. Fredericus Haes wordt in de jaren 1657 en 1670 als schoolmeester genoemd, en Johannes Cool omstreeks 1681. Laatstgenoemde komt als koster voor gedurende de jaren 1675-1689. Dan ontstaat in de vermeldingen van de schoolmeester een groot hiaat. Niet onwaarschijnlijk lijkt het, dat de kostersfamilie Then Haef, die vanaf ca 1689 optrad, ook de schoolmeesters heeft geleverd. Koster Michiel then Haef wordt genoemd omstreeks de jaren 1689-1740 en zijn zoon van 1740 tot ca 1770. Diens zoon Lambert, die in ieder geval in 1786 als schoolmeester wordt vermeld, deed dienst als koster tot 1803. In 1789 werd de ernstig vervallen Groessense school opnieuw opgebouwd.

De Kerkmeesters met hun reglement.
Over de kerkmeesters vertelt pastoot Valck: “Soe der pastor altoos een overste in den kerspel is, die op alle dingen der kercken ende des gemeijnden best een opsicht hoert te hebben, soe salder pastor principalick elector wesen, met toeradinge synder medebruderen die vicaryen ende die aldste ende verstendigste huyssluyden, die met malcanderen raetslaegen sullen ende tot gemeynden best, eendrachtelijcke sonder pertyen die kerkmeesteren kiesen sullen”.
In Groessen werden dus de kerkmeesters, er waren er drie, gekozen onder voorzitterschap van de pastoor door de geestelijkheid en aantal van de aanzienlijksten onder “adell ind gemeyne nabuyren”.
Er moesten drie kerkmeesters zijn, zegt Valck, in overeenstemming met de drie standen, nl. één uit de geestelijken, één uit de adel en een uit de huislieden. Zij werden voor twee jaar gekozen en mochten een benoeming niet weigeren op een boete van een schild. Dat men op een weigering voorzien was, zou tot de conclusie leiden, dat een benoeming niet altijd als een eer werd beschouwd. De vertegenwoordiger van de geestelijkheid behoefde niet de pastoor zelf te zijn.
In de tijd van Jacob Valck zien we de vicarius Reynder Noerdinck als kerkmeester fungeren. De pastoor, die wel bij de periodieke verkiezing als voorzitter optrad, maakte dus geen deel uit van het college van kerkmeesters, al was het natuurlijk mogelijk dat hij als vertegenwoordiger van de clerus optrad.
De adel bestond in pastoor Valcks tijd uit een vijftal families. Op de Bereklau woonde, over 1560 Frederick Cloeck, op de Loowaard was Herman van den Loe gevestigd, die het huis bouwde, op Ryswyck woonden de ten Haeffs. Betreffende 1590 waren er echter de van Spirincks gevestigd. Verder vernemen we nog van een Palick van Coeverden en een Roloff van Heeckeren.
Als vertegenwoordiger van de “gemeyne nabuyren” treedt in 1567 Jan van Alst op.
De kerkmeesters beheerden gezamenlijk de bezittingen en inkomsten van de parochie. Een van hen was penningmeester. Jaarlijks moest hij rekening en verantwoording doen van zijn financieel beheer voor geestelijkheid, koster, kerkmeesters en vertegenwoordiger van de gemeente.


De parochie Groessen in de 17de eeuw.
Van zeer grote, van zeer ernstige betekenis zelfs, is in de geschiedenis van de Nederlanden de hervorming geweest. Ontstaan is er de beweging niet, maar allerlei omstandigheden hebben de voorbereiding bevorderd. De bestaande kerkelijke indeling was onvoldoende voor een goede verzorging van het godsdienstige leven, die de verzwakking van het geestelijk gezag in de hand gewerkt heeft. Het aanstotelijk leven van menig priester en kloosterling gaf velen ergernis. In de scholen heerste het humanisme. Dit alles verklaart, waarom velen verlangden naar een hervorming, naar een vernieuwing van het kerkelijk leven. Daarbij waren er, die in hun onberaden ijver, wegens niet voldoende kennis van enkele geloofspunten, aanvallen deden op de kerkleer, welke zij in strijd achtten met de Heilige Schrift.
De Directe opvolger van Jacob Valck is vermoedelijk Johan Paelen geweest, die we vanaf 1604 tot 1620 vermeld vinden. Verder is er nog een grafsteen, thans geplaatst tegen de muur van het torenportaal.
Johan Pael of Paelen was uit een aanzienlijke boerenfamilie te Groessen, die in de tweede helft van de 17de eeuw op het goed de “Mazepoel” woonde. Willem Paell en nog een Jan Paell vinden we omtrent 1670 meermalen als kerkmeester vermeld.
Daar in het bisdom Utrecht de kerkelijke hiërarchie officieel op 10 september 1600 niet meer bestond, was Johannes Pael de eerste missiepastoor te Groessen.
Van pastoor Paell en zijn tijd vernemen we verder niets. In deze periode hebben de Gereformeerden van Zevenaar en Liemers hun bijeenkomsten op het huis de Bereklau gehouden bij jonker Assueer Cloeck. Ook heeft de predikant Leonardus Artopaeus te Groessen gewoond, waarschijnlijk op de hofstee, die tot de vicarie van Sint Nicolaes behoorde. Jonker Cloeck, die over deze stichting van zijn voorvaderen zich het recht van collatie voorhield, had ze toegekend aan de predikant. Dit was in strijd met wat Jacob Valck meedeelt, die zegt, dat het collatierecht toebehoorde aan pastoor en “gemeyne nabuyren”. De parochianen waren verbitterd over deze onteigening.
De vicarie van Sint Nicolaas werd eveneens aan de protestanten toegekend.
Dikwijls vernemen we klachten over het wangedrag en terrorisme van doortrekkende benden in het ambt Liemers. Alle dorpen kregen hierbij hun beurten. Een paar maal werd ook Groessen vermeld. Eenmaal had de Staatse benden, die zich in het dorp genesteld hadden, de toegang tot kerk en sacristie met geweld geforceerd, om er vervolgens de kasten open te breken en er alles, kerksieraden, gewijde vaten en ornamenten te roven. De koster die zich had willen verzetten, was ternauwernood de dood ontkomen. Dat de kerk grote schade heeft opgelopen geen twijfel.
In de tijd van Johan Pael het herstel van het kerkelijk leven weer moet aanvangen. De rust, die tengevolge van de veroveringen en militaire maatregelen van Prins Maurits in Oost Gelderland en Kleefsland weer teruggekeerd was, kwam ook de parochie weer ten goede. Het feit, dat er in 1612 een nieuwe klok door Peter van Trier gegoten werd, wijst op restauratie. Groessen had blijkbaar in het oorlogsgeweld zijn klokken verloren. Zeker is dat er drie klokken waren geweest. Jacob Valck spreekt van een kleine, een middelste en een grote klok. In 1612 bezat men nog maar de middelen, om één enkele nieuwe klok te gieten.
Van een complete verarming gewagen ook enige andere gegevens. In de eerste helft van de 17de eeuw zien we de vertegenwoordigers van onze dorpen en buurschappen, Hoeselarij, Groessen. Ooy, Duiven herhaaldelijk voor het gerecht verschijnen, om de gemene weidegronden langs de buurtwegen te verpanden. Men heeft geld moeten opnemen, omdat men anders de onkosten van de herhaalde inkwartieringen niet te boven kan komen.
Een dergelijk tijd van desorganisatie en geweld is natuurlijk niet geschikt, om een gezond kerkelijk leven te herbouwen. Integendeel, in de complete verwarring, die er het gevolg van is, gedijen de misstanden des te beter. Mede ten gevolge hiervan hadden de krachten, die streefden naar een compleet herstel in de oude Moederkerk nog weinig kans gekregen, om door te werken. Dit was in het Kleefseland des te riskanter voor de Katholieke Kerk, omdat in 1614 juist voor het protestantisme de verhoudingen gunstiger waren geworden. Het hertogdom Kleef was na enige verwikkelingen over de opvolging toegekend aan de protestantse Keurvorst van Brandenburg, onder voorwaarde, dat wat de religieverhoudingen betreft, de bestaande toestand moest gehandhaafd blijven. Dit kwam hierop neer, dat het katholicisme een monopolistische positie behield.
Dat veel pastoors in die tijd der verwarring in de 17de eeuw op hun post bleven, wil niet dat er geen zorgwekkend gebrek aan pastoorswerk was ontstaan. Vermeld dient te worden dat veel pastoraatwerk door de Franciscaanse paters uit Neder-Elten in de Liemerse parochies werden verricht.
Religieuze vrouwen, in bijna alle plaatsen, onder de naam van Klopjes, hebben in tal van onze parochies mensen in geloof en zeden de helpende hand geboden, door bijvoorbeeld de kinderen in de 17de en 18de eeuw de catechismus te leren. Ook in Groessen waren Klopjes werkzaam.
Klopjes of begijnen waren, die, zonder in een klooster te treden, in ongehuwde staat en volgens bepaalde regels een aan de godsdienst gewijd leven leidden. Zij werden: “Geestelijke Dochters”genoemd in de Liemers en kwamen veelal voort uit de priesterfamilies en zetten zich daarin voor kerkelijk- en caritaswerk.
Merkwaardig blijft het, dat wij vroeger in het Ambt Liemers nimmer kloosters hebben gehad. De verklaring daarvoor zou mogelijk kunnen zijn, dat in de streek de regeerders voortdurend wisselden. Bovendien lag de Liemers in een uithoek en was vaak het toneel van plunderingen en brandstichtingen, die het soldatenvolk ongestoord kon aanrichten. Evenmin was er een economische basis om een klooster in stand te houden.
Machtige bestuurders ter plaatse ontbraken en het volk was “bloed”arm. Het Motto: “de ridder vecht, de monnik bidt en de boer werkt”, gaat hier zeker niet op.
Sinds in 1610 het hertogdom Kleef onder de regering van de Keurvorst van Brandenburg was, liet de toestand zich gunstiger aanzien voor de Gereformeerden. Politiek was hun invloed zeer groot geworden. Daar tegenover stond, dat de Contrareformatie in alle milieus der bevolking zijn invloed liet gelden; de posities waren duidelijk gesteld, terwijl, in een strijdbare geest de verschillen en tegenstellingen scherp afgetekend waren. Niettemin was er nog een grote bevolkingsgroep, die zijn definitieve stelling nog niet bepaald had. Als we in Groessen constateren, evenals op andere plaatsen, dat de Reformatie geen noemenswaardige aanhang heeft kunnen winnen of behouden, dan moet dit het gevolg zijn van de eigenaardige recatholiseringsactie der Contra-Reformatie in de eerste generatie der 17de eeuw. Dan zou dit toegeschreven moeten worden aan de geestelijkheid van die tijd en zullen we Johan Pael als een vertegenwoordiger van Contra-Reformatie hebben te zien. Misschien meer nog in zijn opvolger Steven van Dijk. Van hem althans hebben we enige positieve aanwijzingen in die richting. In de eerste plaats vermeldt de Apostolische Vicaris Rovenius hem met zijn gelatiniseerde naam Stephanus Aggerus in het verslag van 1622. Hij had jarenlang, n.l. van 1622 tot 1642, ook de zielzorg in Duiven op zich genomen.
Dat de Apostolische Vicaris hem in het bijzonder vermeldt, wijst er op, dat hij tot de priesters behoorde, die in hun geestelijke zending zijn leiding en gezag aanvaarden m.a.w. die zich aan de recatholiseringsactie waarvan Philippus Rovenius de grote man in Noord- Nederland is geweest, overtuigd gaven.
Tijdens het pastoraat van Aggerus waren de militairen nog altijd aanwezig in de Liemers. 27 mei 1632 moest Dominee Heysius weer voor de stad Zevenaar met een wagen naar Loo varen, om daar aan Zijne Genade, omdat er aan geen haver te komen was, een ander aanbieding te doen. In het kamp te Groessen had hij aan enige officieren 3 vanen molbier gegeven. De 28ste mei was het weer zover dat Lambert  Noeij dezelfde predikant naar het Loo vervoerde om daar een schaap en boter te brengen en daarna aan Zijn Genade koeken bracht te Groessen in het kerkgebouw.
Verder heeft zich tijdens zijn pastoraat het geval voorgedaan van Albert Ontyt, rentmeester van de Van Spirings, bezitters van het huis Ryswyck. Deze weigerde n.l. de vruchten van de landerijen der St. Antonius-vicarie aan de Gereformeerde Gemeente te Zevenaar. De collatie van deze vicarie berustte bij de Van Spirings als opvolgers van Ten Haeffs, en bij de Cloecks als erfgenamen van de Berrevelts. Jonker Frederik Cloeck zal er voor gezorgd hebben, dat de inkomsten de politiek van verdraagzaamheid en religievrede, die de Brandenburgse regering wenste te voeren. Hierbij ging men er van het standpunt uit, dat de geestelijke goederen zo billijk mogelijk tussen de twee confessies, die beiden erfgenaam waren van de oorspronkelijke ene Kerk, verdeeld moesten worden
Toen enige mannen daarom bij hem op het veld staande oogst wilden halen, belette hij dit gewelddadig. In de vechtpartij, die hierop ontstond, is Ontijt gedood.
Afgezien van het feit, of deze kwestie niet beter in verdraagzaamheid had kunnen worden opgelost, wijst deze ruzie erop, dat men strijdbaar was geworden, typisch Contrareformatorisch strijdbaar. De tijd, dat men alles maar gebeuren liet, zoals het kwam, was voorbij. Ontyt zou zich heus niet zo agressief verzet hebben, als hij zich niet gesteund wist door de gemeenschap, waarin hij leefde.
Tenslotte zijn er tijdens het pastoraat van Steven van Dijk en waarschijnlijk gedeeltelijk ook van diens opvolger de Zevenaarder Hendrik de Leeuw vernieuwingen van het kerkinterieur tot stand gekomen. Het zijn uitingen van de geest der Contrareformatie. Die moeten hier gewekt zijn door van Dijk, hierbij wellicht voortbouwend op wat zijn voorganger Johan Pael al begonnen was.

De recatholisering.
Wat betreft de Liemers voor de priesters uit de oude bediening, in de eerste helft van de 17de eeuw, was hun tijd voorgoed ten einde.
Het is ongetwijfeld het werk geweest van Sasbout Vosmeer en Philippus Rovenius, dat priesters van nieuwe bediening kwamen en dat de opleidingen verbeterd en uitgebreid werden.
Bij Henricus de Leeuw, geboren te Zevenaar, wordt al vermeld dat hij zijn theologische studie te Munster had gevolg. De Leeuw werd in 1657 pastoor te Groessen en overleed 19 september 1676.
Zijn opvolgers hebben allen hogere studies gevolgd, alvorens zij tot priester werden gewijd.
Het H. Vormsel werd in die tijd van de Hollandse Zending maar zelden toegediend. Toen in 1660 bisschop Zacharius van Metz hier kwam, kwamen volwassenen en kinderen uit alle omringende plaatsen toestromen om dat sacrament te ontvangen.
In 1686 is de Apostolische Vicaris Johannes van Neercassel hier geweest. Zijn secretaris schreef in een verslag: “op het vreemde territoir de Lijmers kon de Apostolische Vicaris openlijk zijn bisschopsambt uitoefenen, zonder kans te lopen op vervolging van overheidswege. Ook in het Munsterland kon hij zijn ambt openlijk uitoefenen.”.
Al gedurende zijn verblijf daar in de tweede helft van mei 1686 werd van Neercassel door koortsen geteisterd. Zijn zwakke gestel was niet bestand tegen vermoeienissen van de reis en de vele zaken welke de bisschop regelmatig verrichtte op zijn reizen: prediken en aan duizenden het H Vormsel toedienen.
Op het eind van de maand 1686 vertrok hij zich naar Zwolle. Enkele dagen na zijn aankomst in die stad nam zijn ziekte een ernstige wending en op 6 juni overleed de hoogst verdienstelijke prelaat. Zijn lichaam werd overgebracht naar de Glaan (bij Enschede) en daar in de kloosterkerk op 12 juni vóór het altaar ter ruste gelegd.
Het regelmatig toedienen van het H Vormsel is later niet meer volgehouden.

Pastoor Henricus de Leeuw heeft een legger samengesteld van eigendommen, vaste inkomsten en verplichtingen. Er wordt vermeld dat schoolmeester Bartholt Möller pachter is van een hofstede in het dorp, gelegen tussen Tonnis Minschen en Agnes Falks erfenis. Een aantal kerkenland zijn vanwege oorlogsschuld verpand en inmiddels weer ingelost en een aantal panden zijn nog steeds in handen van de geldverstrekkers. De inkomsten uit negen dreven land komen in het geheel aan de armen van Groessen toe. Van 43 verschillende geldleningen ontvingen de armen van Groessen geldrenten. Enkele grepen daaruit: Willem Paell geeft jaarlijks uit zijn hofstede de Maassenpoel één daalder rente. Deze rente is afgekocht bij de verkoop van de Maassenpoel. De kerkmeester Arndt Boerboom en Jan Paell heeft een afgekochte schuldbekentenis in 1670 overgegeven aan de pastoor die daarmee met 100 daalder aan vrouw van de orgelmaker en van het overige geld Godefridus Koningsfelt vanwege het maken van de orgelkast betaalde.
Rijck Lippert geeft jaarlijks uit zijn hofstede in de Hoeselarij, om voor de armen te besteden, een half schepel appels en half schepel zomerkoorn.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                     
Arnoldus van Kerckhoff was vanaf 1676 tot 1688 pastoor te Groessen. Hij was geboren te Huissen en deed zijn hogere studies te Keulen. Hij schijnt al bij het leven van zijn voorganger de pastoorsbediening te hebben waargenomen, om na zijn dood hem op te volgen, want in het oude doopboek staat opgetekend: Baptizati tempore A. R. D. Pastoris Arnoldi van Kerckhoff, en de eerste opgetekende is van 5 maart 1676. Hij overleed 24 november 1688. Uit zijn tijd zijn op 5 maart 1681 zes nieuwe pachtcontracten overeengekomen en wel: aan Thijs de Greeff een hofstede, genaamd het Heiligland voor 6 jaar.
Een hofstede in de Hoeselarij, genoemd de Schwanenpol, werd verpacht aan de Weduwe van Willem Gerritzen.
Een zekere hofstede in het kerspel Groessen, waar Thönnis Volckman op woont.
Het Heldreefken werd verpacht aan Hendrik Serris. En Johan Serris pacht een hofstede in de Groessenerweide.
Opnieuw werd de hofstede van Berndt Minschen voor zes jaar verpacht, dat gelegen is in Groessen aan het kerkhof.
Pastoor Gijsbertus Vermeer uit Hulhuizen studeerde te Munster. In 1707 sloot hij met de kerkmeesters een overeenkomst betreffende de vroegmis, waarvoor men hem jaarlijks 100 gulden zou geven. Hij overleed in 1709. Hij was van 1688 tot 1709 pastoor te Groessen. Hij had nog een aantal nieuwe pachtcontracten op zijn naam staan. Jan Cool was toen organist en Michel ten Haeff organist. Hij werd opgevolgd door pastoor N. Buning (1709-1710) en ook van korte duur was in Groessen Pastoor Bernardus Hondijck, die te Doesburg werd geboren en te Munster studeerde. In het najaar van 1710 werd hij hier pastoor en overleed al 22 november 1711.

De patronaatsheer in de 18de eeuw.
Het vergeven van een pastoorsplaats door adellijke personen en andere instellingen bleef ook in de tijd na de Reformatie gehandhaafd.
Reinerus van Elsbergen (alias van Wylick) geboortig van Hunnepel, studeerde te Munster. De 28ste januari 1712 had hij op voordracht van Karel baron van Spierinck de investituur ontvangen. In 1726 had Groessen omstreeks 500 communicanten.
Nadat op 9 september 1733 de vicarisplaats op de vicarie van Sint Anna te Oud-Zevenaar, wegens het overlijden van de weleerwaarde heer Arnoldus Pelgrom, pastoor te Middelburg en vicaris van de Sint Annavicarie in Oud-Zevenaar, vacant werd, benoemde de Heer van Heerde tot Camphuizen Reinerus van Elsbergen, pastoor te Groessen, tot vicaris op het Sint Anna-altaar.
Van Elsbergen was in de familielijn afstammend van de stichters van deze vicarie, namelijk de Van Lengels. Pastoor van Elsbergen overleed 9 oktober 1747.
De vicarissen behoefden kennelijk niet ter plaatse te wonen en zelf op het voorgeschreven altaar de diensten te verrichten.
Hoe Baron Van Spierinck aan het patronaatsrecht van de Groessense kerk was gekomen, is misschien op de volgende wijze te verklaren. De Magdalenavicarie in Groessens kerk, gesticht in 1432, was ter vergeving aan de havezathe Rijswijck, en werd vanwege de geringe inkomsten met deze verbonden. Tijdens die vereniging was Baron van Spierinck heer van Rijswijck. Het patronaat van de kerk zal op deze wijze op hem zijn overgegaan.
In de fundatie stond geschreven dat, indien het goed Rijswijck verkocht zou worden, de Magdalenavicarie buiten de verkoop bleef. Toen daarom in 1816 of 1817 Rijswijck is verkocht aan de familie Van Nispen tot Pannerden verviel het recht om een priester voor de vicarie te benoemen aan de koper en kwam dit recht aan de pastoor en de kerkmeesters.
Hoe ging nu de installatie van een pastoor in de praktijk?
Wanneer een voorgedragen priester door de Vice-Superior van de Hollandse Missie van de geestelijke jurisdictie was voorzien, moest hij nog bezit nemen van de kerk en de pastorie. Nadat bij waarneming vanaf 1747 door pater Liberatus Reen uit het convent van Elten werd in 1748 Pastoor Swinckels door Baron Spierinck naar de kerk geleid en daar aangekomen zijn hem de sleutels aangeboden, waarmee hij de kerk moest openen. De Baron wees hem het altaar en de preekstoel aan. Vervolgens werd de pastoor op gelijke wijze naar de pastorie geleid, om met de aangeboden sleutel de deur te openen en daarna moest hij in de tuin een klein stukje omspitten. Na deze handelingen keerde de pastoor terug naar de kerk om met assistentie van de buurtgeestelijken zijn eerste kerkdienst als parochieherder te vieren.

Pastoor Swinckels had problemen in de parochie en in huis.
Toen pastoor Arnoldus Joannes Baptist Swinckels Zijn parochie aanvaarde, was er een stroming van het Jansenisme binnengeslopen De Jansenisten deden uitspraken op grond van kerkvaders en concilies betreffende boete en biecht en het vieren van de Eucharistie. Men beschouwde dit laatste in Jansenistische kring als de ontzaglijke mysteriën en had een grote schroom in het gebruik. Pastoor Swinckels bleek ook beïnvloed te zijn door het Jansenisme. Hij wekte het vermoeden, dat hij een eigengereid man was, die maar eigenmachtig optrad in een zaak, waar de kerk uiterst gereserveerd handelt en gewoon is, bepaalde bevoegdheden zeer spaarzaam toe te vertrouwen. In een strenge door het Jansenisme beïnvloede mentaliteit, heeft hij het vermoedelijk in alle lijden en ziekten een vloek en straf Gods gezien.
Zijn mentaliteit blijkt wellicht ook uit een andere kleine bijzonderheid. Hij geeft b.v. in 1755 voor Groessen 518 communicanten op en in 1774 slechts 496. Dit is moeilijk te verklaren uit achteruitgang van het zielental, aangezien de 18de eeuw zeer gunstig was voor de ontwikkeling van het platteland. Doch bij collega’s van onze pastoor Swinckels vinden we in deze tijd de neiging, om de kinderen pas op 15- tot 17-jarige leeftijd tot de eerste H. Communie toe te laten. Ook een uiting van een eigengereid strenge geest, die vermoedelijk bij onze pastoor eveneens tot dit resultaat heeft geleid.
Swinckels stond hier niet alleen met zijn denkbeelden. In Huissen ging het conflict Rome-Utrecht (1701-1712) zover dat de Jansenisten de grote kerk gebruikten en de andere katholieken elders bijeenkwamen.
Tijdens de periode van pastoor Swinckels was er groot tumult in de Groessense pastorie. Een zekere Han Bartels uit Elten, probeerde in mei 1768 te Groessen onder de vleugels van de Katholieke Kerk bescherming te zoeken om zich daarmee los te maken van zijn militaircontract.
In de nacht van 25 op 26 mei 1768 was de huishoudster van de pastoor, een zuster van Han Bartels, nog niet naar bed. Zij wachtte het kalveren van de koe af. Wachtmeester Bouman en zijn helpers wisten dat Han een deserteur was. De man was enige tijd met verlof gezonden en was na afloop niet meer in het garnizoen teruggekeerd. Hij werkte als knecht bij de pastoor. Nadat men achter Hans’verblijfplaats was gekomen, kwam het militaire gezag om hem te arresteren. Door het tumult in de nacht werd de pastoor klaar wakker. De pastoor barstte in woede uit en gelastte hen te vertrekken. Het gelukte de pastoor niet om zijn knecht vrij te krijgen en in naam des Konings moest en ging Han Bartels mee om bij het regiment weer ingelijfd te worden.

De tijden veranderen en er kwam een nieuwe pastorie.
Swinckels opvolger, Henricus Otten (1778-1785), die 1778 hier kwam, had tot in 1773 ontbonden Orde der Jezuïeten behoord.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                      
Door haar veel vele verdienstelijk werk verkreeg de Jezuïetenorde van de pausen vele privileges en minder aan strakke regels gebonden. Van het begin af had het zwaar te kampen met tegenstanders binnen en buiten de kerk. (protestanten, Jansenisten, vrijdenkers), die in 1773 van paus Clemens XIV haar opheffing verkregen.
Pastoor Otten was dus in dit opzicht meer een slachtoffer dan een vertegenwoordig van zijn tijd, die in zijn rationele instelling weinig waardering voor het kloosterleven had.
Bij testament legden de rijken vast hoeveel zij aan missen, gebeden en grafbezoek in de kerk verlangden. Pastoor Otten was op 31 december 1781 in het huis van de Weduwe Willem Hoffs, die stervende was, maar nog goed bij verstand. Zij verklaarde dat zij tot haar laatste wil de erfenis verdeelde tussen haar kinderen. Voorts zouden haar kinderen verplicht zijn alle jaren aan de pastoor van Groessen zes gulden uit te keren voor vier zielmissen.
Pastoor Otten, getroffen door een beroerte, overleed op 13 oktober 1785.
In de laatste jaar van zijn pastoraat had hij de bijstand van de rechter in Zevenaar ingeroepen. Op zondag 7 mei 1785 waren namelijk twee jongens van Bart Heijmen uit Leuffen niet op zijn catechismusonderricht verschenen. Dit was al de vijfde week dat zij verstek lieten gaan. De pastoor vroeg aan de rechter zijn invloed aan te wenden om de jongens weer op les te laten komen. Uit het onderzoek van de rechter bleek, dat Heijmen zijn zoons niet meer naar de pastoor stuurde omdat deze hen had geslagen.
Vanaf 23 oktober 1785 tot in de begin1786 werd Groessen bediend door een deservitor frater Tiburtius Volmer, Franciscaan uit het Eltense convent.
Drie maanden had Groessen geen vaste pastoor. Freyherr von Spiering, de vergever van de kerk en pastorie, was wegens ziekte niet in staat iemand tot pastoor aan te stellen.
Op 20 december 1785 werd de nieuwe pastoor, Joannes Henrichs benoemd. Hij had ook tot een kloosterorde behoord, die op rand van ontbinding verkeerde. Hij was namelijk Kruisheer uit Emmerich. Die kloosterorde is tijdens de Napoleontische tijd ontbonden.
Zijn langdurig pastoraat overspande een zeer bewogen tijd, de z.g. Franse Tijd uit onze historie. Revolutie en Franse bezetting in Nederland in 1795, oorlog aan de Rijn in 1795 en 1798, inlijving ook van het Kleefsland bij een door Napoleon gevormde satellietstaat aan de Rijn, bevrijding door Pruisen en Kozakken in 1813, herstel van het Pruisische bewind en tenslotte indeling bij Nederland in 1816. Het is bij elkaar nogal wat. Doch we vinden geen letter van wat dit in het dorp en parochie betekend.
Pastoor Henrichs is een echte bouwpastoor geweest. Toen hij in Groessen kwam verkeerden de weem (pastorie), armenhuis en schoolgebouw in een desolate toestand. Met voortvarendheid ging hij aan het werk om geld bijeen te krijgen voor nieuwbouw en verbetering.
Op 30 november 1786 liet hij een officieel rapport opstellen en ging daarmee naar de Kreis-Einnehmer Van Rappard te Zevenaar. Hij werd vergezeld en in overleg bijgestaan door de kerkmeester G. Otten en de boermeesters D. Derksen, P. Rutjes en Jan Daniëls uit de Hoezelarij. Zij allen verklaarden dat het pastoorshuis zich in een zeer slechte staat bevond. Aan het gebouw moest veel gerepareerd worden. Zij vreesden, dat wanneer zij aan het repareren gaan er zoveel slechte stukken te voorschijn zouden komen, dat de kosten vermoedelijk hoger uit vallen, dan wanneer een nieuwe pastorie bij de kerk gebouwd zou worden op het onbebouwde kerkenland. Tevens voerden zij aan dat de bestaande pastorie veel te ver van de kerk af lag. Om aan het benodigde geld te komen was de pastoor bereid om een kapitaal van fl. 1000,00 op te nemen met de pastoriegoederen als onderpand. Hij hoopte de aflossing te kunnen regelen door aan de regering te verzoeken hem fl. 25,00 in de belastingaanslag in mindering te brengen en toestemming voor het houden van een collecte. Verder zou enig materiaal van de oude wedem mogelijk bruikbaar zijn voor de nieuwbouw. De regering moest tevens bedenken dat nieuwbouw de eerste jaren weinig aftrekposten voor reparatie behoefden.
Op 29 maart 1787 waren de heren weer te Zevenaar om over de bouwplannen en de financiering te spreken. Zij hadden intussen berekend: een bedrag van fl.3480,00 en 45 stuivers opvorderbaar bij de Landbouwinspectie. Het materiaal van de oude weem was geschat op fl.346,10. De pastoor had intussen een lening afgesloten van fl.2000,00 tegen een rente van 6%. Men zou in het gehele land gaan collecteren. Verder beloofde de pastoor dat hij bij de opbouw van de pastorie, de school en het gasthuis voor zijn rekening zou nemen.
Op 1 juli 1788 gaf Carl Theodoor Freiherr von Spiering, collator van Groessen, toestemming tot het bouwen van een nieuwe pastorie.
In Kleef werd op 22 april 1789 bevestigd dat de pastorie en ook andere gebouwen in Groessen gerealiseerd gaan worden. Het geheel had meer dan 4560 Rdlr. gekost.
De oude wedem werd niet afgebroken, doch in erfpacht uitgegeven voor fl.50,00 per jaar.

1793 werd Vulgise de Vigneron tot abt verkozen. Hij zou de laatste abt van Lobbes worden: dertien maanden later werd hij samen met zijn 43 monniken door Franse troepen verdreven. De monniken vonden een onderkomen in Duitse kloosters.
Groessen was toen Pruisisch gebied en in 1794 vonden daar 22 Conventuelen (Franciscanen) met 9 knechten onderdak. Waarschijnlijk in de oude weem.
De Richter te Zevenaar hield toezicht op hen en hij schreef in zijn verslag: dat zij zich zeer vriendelijk waren. Niemand enig last bezorgde en alles contant betaalde. De Conventuelen verbleven maar een korte tijd in Groessen. (RAG 1832)
Iets van meer betekenis, zeker in die tijd was, dat in 1798 op 2,3 en 4 juli Mgr. Joannes Baptista Robertus van de Velde de Melroy, bisschop van Roermond, het H.Vormsel heeft toegediend. Meer dan 3000 mensen, volwassenen en kinderen uit alle omliggende plaatsen, zijn in die dagen in Groessen geweest, om het sacrament, dat maar zo uiterst zelden werd toegediend, te ontvangen.
De pastoor had op de nieuwe pastorie een huisknecht in dienst, die ook timmerwerk verrichtte aan kerk en pastorie. In de ogen van de timmerlieden, die lid van het gilde waren, was de huisknecht een beunhaas.
Wij weten niet hoe pastoor Henrichs reageerde op de verplichting om voor Napoleon te bidden en het Te Deum te zingen. Zijn Fraterhuis te Emmerich werd immers ontbonden.
Napoleons oogmerk was, een complete controle op de kerk, die hand- en spandiensten aan zijn rijk zouden moeten leveren.
In 1801 kwam het tot een concordaat, waarin ondermeer bepaald was, dat Napoleon de bisschoppen zou benoemen, nadat de zittende kerkvorsten eerst waren ontslagen.
De Eerste Consul had eigenmachtig een lange reeks “organieke artikelen”aan het concordaat gekoppeld. Het was een grove ingreep in het kerkrecht dat, toen het concordaat van kracht werd, de opstand niet meer was te stuiten.
Nu, opstand is misschien het goede woord niet. Wat betekent dat, opstand, tegen een man die alles in handen heeft: wetgeving, rechtspraak, leger, bestuurders, bisschoppen (meest pionnen) en natuurlijk de pers?
En wat kon de gewone dorpspastoor doen, met alleen zijn geweten en zijn wantrouwen tegen de nieuwbakken bisschoppen, en zijn plichten en zijn zielminnende gezindheid? Hij kon weigeren Napoleons overwinningen met een Te Deum te vieren, op gevaar af ontslagen te worden, wat tientallen pastoors en zielzorgers inderdaad overkomen is. Hij beklaagde zoals velen, zijn nood in een brief aan Rome om een “groot zwijgen” als antwoord te ontvangen. Want iedereen beriep zich wel op de paus, maar als gevangene van Napoleon was hij een man zonder zichtbaar macht en zonder mond.
In België ontstond oppositie van priesters en gelovigen, die brak met de bestaande kerk en onder leiding van een priester Stevens verder ging. Tegenwoordig bestaat er nog steeds een groep van ongeveer 500 Stevenisten, voornamelijk te Halle-Broekborre en Leerbeek.
Zover is het in de Liemers niet gekomen, maar invloeden waren wel merkbaar.
Na voor hem, turbulente tijd, overleed pastoor Henrichs op 14 oktober 1815.

Moeilijkheden rondom de pastoorsbenoeming.
Toen pastoor Henrichs in 1815 overleed, kreeg een familielid van hem, Petrus Christianus Kuppers uit Hoeverath van de familie von Spierinck, de pastorie te Groessen. Hij had hier in september 1800 zijn eerste H. Mis opgedragen en was enige jaren assistent van pastoor Henrichs geweest. Daarna was hij kapelaan te Huissen geworden en vervolgens rector van het Sint Elisabeth-convent. Toen als gevolg van een decreet van Keizer Napoleon een groot aantal kloosters in 1812 werd opgeheven, o.a. ook de abdij Elten, trof ook eveneens de Huissense communiteit dit lot. Kuppers werd daarop pastoor te Oosterhout (O.B.), vanwaar hij naar Groessen kwam.
Doch toen gebeurde er iets, wat kenmerkend was voor gebrek aan coördinatie en organisatie, dat er in de Noord-Nederlandse Kerk heerste. Want niet Kuipers kreeg van de geestelijke overheid, de vice-superior Ciamberlani, de benoeming, doch een zekere Willem Ignatius Hendriksen, een intigrant, die kapelaan was geweest in Didam. Bij het overlijden van de pastoor, in 1799, benoemde de Aartspriester pastoor Stam van Netterden tot zijn opvolger, terwijl hij Hendriksen het pastoraat van Stam gaf. De Diemse kapelaan achtte zich daarmede te kort gedaan en bleef in Didam, waar hij met behulp van zijn aanhang bezit nam van de kerk en pastorie. Na heel wat onverkwikkelijke tonelen, werd met medewerking van enige buurtpastoors een oplossing gevonden, waarbij Hendriksen pastoor van Ulft werd. Blijkbaar Groessen te verkiezen trachtte hij in 1815 zich hier te nestelen. De vice-superior, door een achttal parochianen ingelicht, trok haastig de benoeming in, om Kuppers in de plaats te stellen. De regering echter handhaafde Hendriksen, volgens enige professoren in het Canonieke recht, zeer terecht, aangezien het patronaatsrecht al enige jaren was afgeschaft, zodat Kuppers zich daarop niet kon beroepen. Een eenmaal gedane benoeming door het kerkelijk gezag, hoe ongelukkig ook uitgevallen, kon op die grond dus niet ongedaan worden gemaakt. Petrus Chritianus Kuppers werd op 20 januari 1816 als pastoor te Groessen aangesteld. Hij was door de Baron van Spierinck voorgedragen. Met hem kwam de laatste Moeder-overste van het opgeheven Sint Elizabeth-convent, moeder Constantia, in de wereld Margaretha Lommers, te Groessen. Tot haar dood, 12 april 1825, heeft zij op de pastorie gewoond. Uit het klooster had zij een grote ciborie, enige altaarbellen, een koorkap, kazuifel en nog wat kleinigheden gered.
Het waren roerige jaren geweest voor pastoor Kuppers, zijn parochiedienst begonnen als trouw onderdaan, eerst onder Z.M. de Koning van Pruisen, Friederich Wilhelm en later, in 1816, onder “den Koning der Nederlanden, Willem de Eerste”. Hij heeft de stormen kunnen doorstaan, want op 16 september 1850 vierde hij zijn gouden priesterfeest.
Pastoor Kuppers overleed 4 november 1851. Zijn grafzerk ligt links van de toren.

De parochiegrenzen.
De man, die de parochie Groessen de nieuwe tijd, met gans andere verhoudingen in de Nederlandse Kerk, moest binnen leiden, was de Didammer pastoor Henricus Wienholts.
Geboren in 1817 was hij, toen hij in 1851 zijn pastoor Kuppers opvolgde, nog jong genoeg, om aan de oude verhoudingen geleidelijk te ontgroeien en zich in de nieuwe in te leven.
Hij was gevormd in de oude tijd der Aartspriesters, in de dagen toen de kerkelijke organisatie in Noord-Nederland op zijn slechts was en de binding van een hiërarchie ontbrak. Man van die tijd toont pastoor Wienholts zich nog, als hij een kleine intrige gebruikt, waardoor hij zich de benoeming tot pastoor verzekert na de dood van heer Kuppers. Hij heeft vermoedelijk gemeend een zeker recht van opvolging te hebben, omdat hij hier sind 1847 kapelaan was geweest en als zodanig al het werk van de oude sukkelige pastoor had opgeknapt. Zo immers was het al te gemoedelijke gebruik geweest in de tijd van de Aartspriesters. De pastoors namen zich de kapelaan, die zij wensten, dikwijls een jonger familielid, en die kapelaan, zo hij het volhield, tot hij de pastoor, gelijk men dat uitdrukt, aan zijn eind had gebracht, volgde dan dikwijls de overledene op.
Hij heeft voor zijn benoeming nog gebruikgemaakt van het patronaatsrecht, ofschoon dit recht officieel in de Franse Tijd was afgeschaft. Dat betekende, dat hij zich door de Von Sprierincks met de pastorie liet begiftigen, daarbij gesteund door de gevolmachtigde van de familie C.J.C.M. van Nispen tot Pannerden. Mede door invloed van de Van Nispens bij de Vice-Superior, de nuntius Mgr. De Belgrado, verkreeg hij de kerkelijke benoeming.
Intussen aanvaardde hij echter niet alle consequenties van het patronaatsrecht. Zo vergat hij de verering, die een begunstigde priester gewoon was aan de patroon te geven.
In zaak van de grensscheiding tussen de parochies Loo en Groessen toonde pastoor Wienholts zich nog ietwat een man van oude kerktorenpolitiek. Toen in 1851 Westervoort zelfstandig was geworden, daalde ‘t Loo af tot een onbetekende parochie, te klein om te leven en te veel om te sterven. In opdracht van de vice-superior heeft toen de Aartspriester, pastoor Willemsen van Duiven, de grenzen gewijzigd in die zin, dat de Hoeselarij voor het grootste gedeelte naar ’t Loo ging, waarbij de tochtsloot, die uit de Waay bij de Vossendel langs de Groenestraat loopt tot waar deze uitkomt in de scheigraaf tussen Loo en Duiven met Westervoort, de scheiding werd. Pastoor Boonekamp van ’t Loo tekende tegen deze grens protest aan, omdat hierdoor juist twee aanzienlijke boerderijen, die veel dichter bij zijn kerk dan bij Groessen lagen, buiten zijn parochie bleven. De Aartspriester besliste echter ten gunste van Groessen.
Nadat in 1853 de kerkelijke hiërarchie was gekomen, heeft de Loose pastoor de zaak opnieuw aanhangig gemaakt, toen de Aartsbisschop Mgr. Zwijsen, een definitieve indeling der parochies tot stand wilde brengen, waarbij bekend werd gemaakt, dat hierbij meer op territoriale ligging dan op de oude rechten e.d. moest worden gelet. Dit als leidend beginsel eenmaal aangenomen, moet de objectieve beschouwer de beslissing van de Aartsbisschop ten gunste van ’t Loo volkomen juist achten. Pastoor Wienholts was er echter zeer door in zijn wiek geschoten en meende, dat men van zijn ziektetoestand, difterie, had gebruikt gemaakt, om de zaak door te drijven. Het zou dan ook tactischer zijn geweest, als men er mee gewacht had, tot ook hij gehoord kon worden.
Met hand en tand heeft hij zich daarna nog verzet; hij klampte er deken Willemsen herhaaldelijk over aan, is er zelfs voor naar Brabant gereisd, waar de Aartsbisschop, die tevens bisschop van den Bosch was, woonde, en heeft er maar moeilijk in kunnen berusten, dat Mgr. Zwijsen het ten slotte niet meer de moeite waard achtte, er nog enig schrijven aan te verspillen. Hij heeft zich onderworpen, doch kan het niet nalaten aan het einde de opmerking te maken, dat hij de belangen van de parochie naar best vermogen had voorgestaan.
Maar pastoor Wienholts was toch geen man, die in de oude bleef vastgeroest zitten. Integendeel, we krijgen van hem de indruk, dat hij met hart en ziel zijn schouders zet onder allerlei initiatieven, die, vooral sinds het herstel der hiërarchie, de  Katholieke Kerk in Nederland loswrikken uit de gezapige sleur van een lamme tevredenheid in een geestelijk gesloten zijn . Een broederschap van de Levende Rozenkrans, in 1853 opgericht, die van Eeuwigdurende Aanbidding, één van de Sint Pieterspenning, beide van 1859, de instelling van het Veertigurengebed dat alles zijn middelen, die het kerkelijk leven in de parochie het monotone van alleen maar ’s zondags mishoren en lof bijwonen ontnemen.
De Sint Vincentiusvereniging, in 1853 opgericht, vestigde de aandacht op de grauwe ellende en de degenererende verwording van de sociale noden, die in deze tijd zo ontstellend groot waren en waarvoor men zo weinig oog had. Zeer zeker heeft men er de diepere beweegredenen van Frédéric Ozanam, n.l. de toekomst van de Kerk te binden aan de geweldige macht van de komende tijden, het thans nog onterechte en verpauperde proletariaat niet begrepen. Daarvoor was hier in ons land de wijze van uitvoering te aalmoesachtig, benepen Hollands en burgerlijk, doch laten we erkennen, dat hier door pastoor Wienholts, vermoedelijk onder invloed van deken Willemsen, op sociaal terrein althans iets werd gedaan in een tijd, waarin de Hollandse burger nog liever versjes las over de gelukkige, tevreden arme, maar toch liever zelf niet zo een gelukkig wezen was.
Ja, hij was een echt levend mens, deze pastoor Wienholts. Eén aan wie geen enkele stroming van zijn tijd blijkbaar onbewogen voorbijging. De strijd om het goede recht van de bijzondere school was toen ternauwernood begonnen. Onder de katholieken trok dat nog maar heel weinig belangstelling. Zij hadden in deze hun houding nog niet bepaald. Toch interesseert Wienholts zich er, naar het schijnt, al intens voor. Hij laat de oude pastorieschool uit de tijd van Jacob Valck, één geheel vormend met drie armenhuisjes en een onderwijzerswoning, totaal herbouwen tot een naar de eisen des tijds ingericht schoolgebouw.
Het gebouw, in 1891 nog eens hernieuwd, is later parochiehuis geworden, terwijl in 1940 een deel ervan bestemd werd voor de toen opgerichte Katholieke Tuinbouwschool.
In 1853 vergrootte hij de pastorie en 1859 bouwde hij de nieuwe sacristie en biechtstoelen aan de kerk.
Pastoor Wienholts geeft ook blijk van een zeer speciale, eigen belangstelling te hebben voor het interieur van zijn kerk. Al in de eerste jaren van zijn pastoraat liet hij de oude 15de eeuwse priesterkoor ontruimen en de communiebank weer terugzetten tot de scheiboog van koor en schip. De lelijk geverfde banken werden door andere vervangen. Ook verwijderde men de witte verglaag van orgelkast en balustrade, zodat dit antieke werk weer in schoonheid van de natuurlijke eikenhoutkleur hersteld was. Toen het effect van deze restauratie voldeed, werd ze ook op de beelden toegepast.
Hij is ongetwijfeld een scherpzinnig man geweest, deze pastoor Wienholts, met respect voor culturele ontwikkeling. Toch ook was hij van een boerse eenvoud, op de grens van ruwheid. In dit opzicht leek hij op zijn voorganger P.C. Kuppers. Die reed te paard zijn parochie af. In een tijd, toen de fiets nog onbekend was, was dat niet zo heel abnormaal, doch evenmin alledaags. Kuppers was ruwboers. Zijn commentaren bij huwelijksaankondigingen “ ’t is blagenwárk”of “motten of willen”, luidop van de preekstoel gegeven, getuigen niet alleen van een overmatig gewilde bonkigheid van toon, doch ook van een pastorale potentaathouding, die zich tegenover de kudde meer veroorlooft dan in overeenstemming is met de liefde, nederigheid en zachtmoedigheid van de Goede Herder.
Zover ging Wienholts niet. Hij was echter in staat om, als een bengel het op de catechismus te gortig maakte, een schoen van zijn voeten te nemen en erop te turven, gelijk vader en moeder thuis deden. Of hij nam er mee onder de toren, om hem met het klokkentouw te kastijden, waarop zo een blèrend huiswaarts trok.
Eén die naar zijn zeggen geen tijd had, om de catechismus te leren. Geen tijd! De hele zomer lang trokken die schelmen elke dag met de koeien naar de gemeenschappelijke weidegronden, weerzij van de buurtwegen. Dan lieten ze meester op school zijn wijsheid verkopen alleen maar aan dat kleine getal van fijne burgerjongetjes, van wie de vaders geen koeien bezaten. Tijd genoeg om onder het koehoeden les te leren.
Zo kon pastoor Wienholts uitpakken op de catechismusles. Ook op de preekstoel, als de parochianen naar zijn mening schreef hadden gedaan. Neen, een gemakkelijk mens zal hij niet zijn geweest. Die indruk krijgt men ook bij het zien van de lijst van kapelaans, die onder hem hebben gediend. Behalve de twee laatsten in Wienholts latere levensdagen heeft geen enkele het langer dan enige jaren uitgehouden.
Pastoor Wienholts overleed 15 november 1888.

De entree van de neogotiek.
Heel anders dan Wienholts was zijn opvolger Augustinus Albertus Hermanus Gerrits (1888-1902), een man zo zacht als boter, die nooit van iemand kwaad wist of dacht, een mens van heel weinig talenten, naar zijn preken zelfs de goedmoedigste parochiaan maar moeilijk luisteren kon en waarvan niemand ooit navertellen zou, wat hij eigenlijk had willen zeggen. Een gemoedelijke, nonchalante Brabander, geboortig uit Roosendaal, ietwat dom van uiterlijk, maar op wie nooit iemand kwaad kon worden, omdat hij zelf een zodanig zachtzinnig goed mens was. Hij kleedde zichzelf en zijn familieleden uit, zoals men dat uitdrukt voor zijn armen en vooral voor zijn kerk.
Onder pastoor Gerrits werd in 1891 het oude kerkje vergroot. Het priesterkoor werd afgebroken en in de plaats daarvan kwam een brede dwarsbeuk en een priesterkoor, bestaande uit een, op vierkante zijkapellen geopende, travee, met vijf zijden van een achterhoek gesloten. Deze uitbreiding geschiedde onderleiding van de architect J. W. Boerbooms. De kerkruimte was te klein geworden. Het aantal zielen, dat de parochie telde, was geleidelijk gestegen. Bedroeg het over 1770 nog slechts 700, in 1820 ruim 1000, in 1851 was het tot 1422 gestegen. Toen ging er 335 af, nl. van de Hoeselarij, die bij het Loo werd ingedeeld. Bleef het zo 1087. Dit getal was in 1890 al tot boven 1200 gestegen en bleef zich in langzaam opgaande lijn bewegen.
Het volgend jaar (1892) werd besloten de kerk te polychromeren. Dat was het pleisteren en verven van de muren, pijlers en de gewelven. Bij het afbikken van de muren in het oude gedeelte vond men zeer goede overblijfselen van een oude schildering uit de 14de eeuw. De kerk werd opnieuw gewijd in november 1891. Pastoor Gerrits overleed 30 januari 1902.

We kunnen in onze tijd, na deze onderdompeling in de neogotiek te boven zijn gekomen, nog slechts respect hebben voor de mildheid van de gevers en weldoeners, en de offervaardigheid van de gelovigen, door wie al deze en andere als verfraaiingen bedoelde zaken konden komen: o.a. een goede stenen communiebank van de firma Geelen uit Roermond, geschenk van de familie van pastoor Gerrits.
Zijn opvolger werd pastoor Cornelis Verheul (1902-!909)
Pastoor Verheul gaf, toen in 1904 het vijftigjarig jubilee van de afkondiging van het dogma der Onbevlekte Ontvangenis gevierd werd de kruiswegstaties en de altaren van O.L.Vrouw en Sint Jozef, die afkomstig waren uit het atelier van Bokhoven.o
Er veel atelierkunst in Groessen gekomen doch men hoeft het maar te vergelijken met de oude kunst die Groessen bezit, om in te zien, welk een achteruitgang dit heeft betekend. De mensen van de neogotiek hebben dit blijkbaar niet ingezien. Hun mildheid zou anders niet zijn te verklaren. Het meeste kwam toch wel van de pastoor zelf “Als jullie het niet geven, dan komt het er toch wel”placht pastoor Verheul te mopperen. En dan, om niet zichzelf op de troon te zetten, voegde hij erbij: “Het komt wel van buiten”. Die buitenstaander was hij echter zelf. Toen eens een loterij ten bate van het orgel in plaats van de benodigde 1300 gulden, slechts even 400 gulden opbracht, schoof hij er het “restant” bij. Een legaat van Jan Wolters van 25000 gulden in 1903 was de basis voor de vestiging van het Sint Antoniusgesticht, bedoeld als gasthuis voor bejaarden uit de parochie. Doch wat pastoor Verheul er zelf bijgevoegd heeft om tevens kleuter- meisjes- en naaischolen te verkrijgen, heeft nooit iemand geweten dan hij zelf alleen.


De christelijke caritas in de parochie Groessen
Het is in ons land kenmerkend voor het tijdperk van de neogotiek, de beoefening van de Christelijke caritas. Ze hing samen, niet alleen met de geleidelijke emancipatie van de katholieken sinds het herstel der hiërarchie, doch met een zekere middeleeuwse georiënteerd utopisch maatschappelijk denken, waarin het Nederlands Katholicisme lang gevangen zat. Men droomde van de tevreden, gelukkige arme, die zijn lot met zalige overgave had te dragen en van de liefdevolle, goede welgestelden en rijken, die hun rijkdommen gebruikten om de armen te helpen en voor dezen de door God gezondenen waren, om te juister tijd te helpen, Er werd tegen socialisme of wat er in de verte op leek, donderend gepreekt van de God gewilde standen, doch daarbij werd dan gedacht in termen van enkele geïdealiseerde middeleeuwse standen samenleving, die allang niet meer bestond en wellicht nooit had bestaan.
Men was zich niet van bewust, dat die standen allang klassen waren geworden, waarvan de waarde en pretenties naar geldbezit werden afgemeten. Men zag niet, dat de gezegende armoede voor een groot percentage der bezitlozen en loontrekkende stompzinnige, grauwe ellende en degenerende ontwrichting was, waarbij in drankzucht compensatie werd voor wat aan levensvreugde werd onthouden.
Er zijn voortrekkers geweest op sociaal gebied, vooral onder de geestelijken: Schaepman, Ariëns e.a. Maar zij gaven de algemene toon in onze katholieke gemeenschap niet aan, helemaal niet op het platteland, waar misère en ellende van het proletariaat zich nooit zo hevig demonstreerde als in de steden. Hier verbeelde men zich waarlijk nog in een zalige, landelijke rust te leven. Er zou een wereldoorlog nodig zijn, om deze te verbreken.
Het doet juist daarom zo goed, in Groessen toch nog in deze tijd een sociaal initiatief te vinden. Dat was onder pastoor Berendsen (1908-1920), een man, die velen zich later herinneren als een ware geestelijke leidsman. één die aanvoelde en onderscheidde, wat er in de zielen omging. Deze prachtige eigenschap voor een priester heeft hem waarschijnlijk scherp doen inzien, hoe de nood in het materiële dikwijls de achtergrond van geestelijke nood is. Hij was een geneeskracht naar ziel en lichaam, zegt mensen, die hem hebben gekend. Hij schijnt zich toegelegd te hebben op de kennis van geneeskrachtige kruiden, op homeopathie misschien. Onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst, zal de strenge man van wetenschap en wet misschien zeggen. Doch in een tijd, toen de gewone man maar moeilijk naar de dokter was te krijgen, heeft hij er ongetwijfeld veel goed mee gedaan. Ook dit wijst op interesse van de zielenherder voor de stoffelijke nood van zijn parochianen.
Hij heeft dat nog anders getoond. Het initiatief was eigenlijk van de bekende Dominicaner pater Rijken. Die zocht naar mogelijkheden om de zelfstandigheid van de talrijke kleine boeren in Huussen zoveel mogelijk te redden, om verschillende van hen, vooral de jongeren, te bewaren voor een ondergang in het industrieproletariaat. De toen opkomende tuinderij, door hem zeer bevordert, bood daartoe de gelegenheid. Een tuiniersbedrijf kan het, om economisch acceptabel te zijn, met veel minder grond doen dan een landbouwbedrijf. Economisch gezien bood de tuinderij goede vooruitzichten. De nog steeds groeiende stedelijke complexen èn in ons eigen land, èn in het naburige Duitsland, vormden de toenemende mate van afzetgebied voor een altijd grotere productie.
Doch het Huussen territoir bood uiteindelijk geen of weinig gelegenheid meer voor uitbreiding van het tuiniersbedrijf. Pater Rijken richtte zijn blikken op de gemeente Duiven, waar omtrent de eeuwwisseling zich al enige Huussense tuinders onder Groessen hadden gevestigd. Hij verzekerde zich van de medewerking van burgemeester van Dorth tot Medler. Ook van pastoor Berendsen. Van 1912 tot 1920 hebben zich elf Huussense gezinnen in Groessen gevestigd. Van 1920 tot 1930 nog achttien, daarna nog twee. Met die er voor 1912 al waren betekende dit een volksvermeerdering van 36 gezinnen, totaal 244 personen.
Van pastoor Berendsen, die een scherpzinnig man was, is niet aan te nemen, dat hij niet inzag, welke moeilijkheden deze immigratie met zich kon brengen. Dat de vermenging van de oorspronkelijk Groessense bevolking met de heel anders geaarde Huussense tuinbouwers bijzondere problemen voor de parochiegemeenschap kon meebrengen, was hem zeer duidelijk. Dat hij het niettemin aanvaard heeft, pleit voor zijn sociaal meeleven met zijn tijd.

Wat er zich vanaf 1914 tot 1965 voltrok in de parochie.
Toen de oorlog uitbrak, proclameerde de regering ’s lands neutraliteit. Deze is geëerbiedigd: noch Duitsland, noch Engeland had er in 1914 belang bij de Nederlandse onzijdigheid aan te tasten.
Tot 1916 bleef, ondanks de moeilijkheden, de toestand redelijk, tenzij in de graan-  en de steenkolenvoorziening. In 1916 echter verergerde de toestand de situatie snel. De productie nam af wegens de verminderde aanvoer van grondstoffen. De prijzen sprongen omhoog, de regering moest ingrijpen.
In 1916 begon de distributie van levensmiddelen. De crisis bereikte haar dieptepunt in 1918, het laatste oorlogsjaar: aan alles bestond  gebrek. Van overzee werd niets
aangevoerd, Engeland liet niets door, ook niet uit de Nederlandse koloniën. De maatschappelijke verhoudingen van voor 1914 werd na deze wereldbrand in 1918 finaal doorbroken. Het geloof in en het vertrouwen op een zekere onveranderlijkheid van de bestaande verhoudingen en een geleidelijke, altijd voortgaande vooruitgang werden er door vernietigd
Ideeën en strevingen, die tot dan toe op een wal van onbegrip en behoudzucht waren gestuit, doorbraken zegevierend het wankele front van godzalige rust in het bestaande.
Op het politieke vlak resulteerde deze goodwill in het aanvaarden van ingrijpende maatregelen op velerlei terrein. De Onderwijswet de Visser bijvoorbeeld in Nederland in 1920 de gelijkstelling van openbaar en bijzonder lager onderwijs, het doel van een zesjarige schoolstrijd, door de Christelijke partijen gevoerd.
Terwijl toen overal bijzondere scholen werden gesticht, maakte men in Groessen van de oude parochieschool een openbare. Een zeer vreemde situatie. Het was met deze parochieschool de laatste jaren een gesukkel geweest. Er waren voortdurend veranderingen in de personeelsbezetting, terwijl men meermalen over langdurige vacatures had te klagen. Soms stond het hoofd der school, J. de Witt, geruime tijd voor alle klassen.
Dit geheel en al aan hem te wijten, zoals sommige deden, was toch niet rechtvaardig. Het bestuur was evenmin van schuld vrij te pleiten. Het schoolgebouw was als een uitgewoond huis, waar al jaren achtereen weinig of niets aan was gedaan. De leermiddelen waren naar evenredigheid. Bovendien waren de onderwijzers, gelijk vóór de gelijkstelling op verschillende plaatsen het geval was, veel slechter gesalarieerd dan hun openbare collega’s. Toen na de gelijkstelling overal nieuwe bijzondere scholen ontstonden, kwam er een groot te kort aan Katholieke leerkrachten. Dat maakte voor Groessen het voorzien in vacatures nog moeilijker. Dat men toen zijn toevlucht nam tot het omzetten van de bijzondere school in een openbare, is, zoal niet helemaal onverklaarbaar, toch op zijn minst wel een ongelukkige oplossing geweest.
Enige jaren later is men ook op dit besluit teruggekomen. De openbare school werd weer een bijzondere.
Een andere ingrijpende maatregel, die zich op het politieke vlak voltrok, was de grote uitbreiding, die de sociale wetgeving onderging tengevolge van de Arbeidswetten van minister Aalberse. Dit heeft niet alleen de materiële positie van de arbeiders verbeterd, doch ook hun maatschappelijk peil omhoog gevoerd. Het bewustzijn van hun menselijke waardigheid is erdoor wakker geschud en dit heeft tot gevolg gehad, dat zij meer interesse kregen voor hun sociale- en vakorganisaties. Zij trokken zich ook minder aan van de tegenzin en vijandigheid, die arbeidersorganisaties bij de andere standen veelal ontmoetten, en die overigens, ten gevolge van de gebeurtenissen rond 1918, afnamen. (De leider van de S.D.A.P., Troelstra, kondigde aan, dat de arbeidersklasse naar de macht zou grijpen. Spoedig bleek echter hoe zeer hij zich vergist had.)
Zo kwamen ook op het platteland de organisaties. Groessen waren er zeker niet te vroeg mee, toen op Andreasdag 1931 de R.K. Werkliedenvereniging werd opgericht, met een drietal vakorganisaties, namelijk die van de bouwvakarbeiders, de fabrieksarbeiders en als laatste de landarbeiders.
De boeren waren hier overigens al voorgegaan. Het initiatief was uitgegaan, kort na de oorlog van 1914-1918 van kapelaan Adan, die hier een afdeling van de boeren- en tuindersbond, de A.B.T.B. tot stand bracht. De kapelaan was er nog wat te vroeg mee. De individualistische geest, erfenis van het liberalisme, bleek nog te sterk. De organisatie ging, na een kwijnend bestaan, na enige jaren weer ter ziele, doch werd in omstreeks1930, dan met meer succes, weer heropgericht.
Dit alles betekende voor de parochie de inschakeling in het moderne leven, de ontsluiting uit de afgeslotenheid van de klassieke landelijke rust van een dorp, dat naast de grote verkeerswegen was gelegen. Mede tengevolge van de moderne communicatiemiddelen werd de dorpsgemeenschap losser van binding en beweeglijker, veranderlijk ook, èn uiterlijk èn innerlijk. Eigenlijk was dit al gebracht door de immigratie van de Huussense tuinders. De oorspronkelijke Groessense bevolking had meer boerenmentaliteit, vasthoudend gehecht aan de grond en het voorvaderlijk erf, zich onderwerpend aan de ongeschreven wetten van overgeleverde dorpsgebruiken als burenplicht e.d., waar zich niemand aan zou trachten te onttrekken. Zo hoort het! En daarmee was alles verantwoord.
De tuinder is anders. Hij heeft iets van de minder gebonden industriële mentaliteit. De boer is er van overtuigd, dat men in vrij grote mate Gods water over Gods land moet laten lopen. Hij kan niet anders, omdat zijn grond te groot is om alle factoren te beheersen. Men moet ook wat aan de natuur en veel aan God zegen overlaten.
De tuinder echter met zijn veel kleiner bedrijf kan veel meer dan de boer met technische middelen de natuur in zekere mate dwingen. Ook hij voelt natuurlijk wel zijn afhankelijkheid van de natuur en de zegen van Boven. Doch hij is veel sterker man van de techniek, van de productie aan de lopende band.
De Huussense immigranten, volbloed tuinders, brachten die andere geest in Groessen. Zij kwamen hier bovendien als vreemdelingen, kenden hier vanzelf niet de gehechtheid aan oude gebruiken, bezaten evenmin de overgeleverde sterke binding met de grond en het dorp. Hun voorbeeld heeft verschillende Groessenaren er toe gebracht, zich ook op tuinderij toe te leggen, waarmee men een zelfstandig bestaan of kon redden, of kon veroveren.
Dit is een zegen geweest. Doch de geest van de dorpsgemeenschap is er door veranderd. Voorzeker heel veel ten goede. De tuinder is uiteraard minder individualistisch dan de boer. Hij is meer en meer organisatieman in het groot. Dat de heroprichting van de A.B.T.B. later wel een succes was, is ongetwijfeld hieraan te danken.
De organisaties hebben een diepgaande invloed uitgeoefend op de gehele gemeenschap. Dat b.v. de toneelvereniging “Vriendenkring”, in 1910 opgericht, zoveel succes kon oogsten met het geven van voorstellingen, die uitstegen boven het nog zo gewone dilettantenpeil; is mede te danken aan de opvoedende arbeid van het organisatieleven, vooral van de latere jeugdbewegingen, de Kajotters van de K.A B., de Jonge Boeren, De Verkennerij en de Gidsenbeweging, allen in de jaren kort voor of na de oorlog van 1940-1945 tot stand gekomen.
Beschouwen we dan eindelijk het godsdienstige en kerkelijk leven, dan moeten we ook hier er de vruchten van constateren. De organisaties met hun vele acties hebben de Noord-Nederlandse katholieken geleerd, hun idealen niet angstvallig te blijven koesteren binnen de knusse veiligheid binnen de muren van hun kerken en huiskamers. Dit demonstreert zich b.v. ook in het plaatsen van beelden en monumenten openlijk op straten en pleinen. Wie had er in het begin van de 20ste eeuw nog aan durven denken, om gelijk ook Groessen deed, een H. Hartbeeld, een geschenk van pastoor Hoorneman 1920-1927, op te stellen voor de kerk, voor iedereen, die langs de weg komt, zichtbaar? Wie ook zou een generatie eerder een kruis planten aan de openbare weg, initiatief van de jeugdbeweging in 1937.
Er is nog veel meer veranderd in de houding en instelling van de gelovigen ten opzichte van het liturgisch leven. Een Christocentrisch kerkgebouw, hier door pastoor H.H. Kruis (1927-1932) tot stand gekomen, zou een generatie eerder weinig begrip hebben gevonden. De gedachte, waaruit zulk een bouw leeft, was er toen nog niet. Het is één van die zegenrijke gevolgen geweest van de hervormingen, die de paus Pius X (1903-1914) bracht. De paus van de kindercommunie en het in ere herstellen van de veelvuldige heilige communie. De paus ook, die de liturgie van alle overwoekeringen, waarmee ze in de laatste eeuwen overwoekerd was, zuiverde en de gelovigen, in plaats van toehoorders, weer tot deelnemers van en medelevenden met het liturgisch gebeuren op het altaar wilde zien.
Uit deze idee is de Christocentrische kerkgebouw voortgekomen. De “domus altaris” beheerst centraal in- en uitwendig het kerkgebouw. De gelovigen zijn rondom het altaar geschaard. Dat altaar is weer de offertafel, die niet verscholen mag zijn onder gewichtigheid van hoge opstanden. De zangers, helpers bij de uitvoering van de liturgische plechtigheden, krijgen weer de hun toekomende plaats bij het altaar. Ze hoeven niet langer meer van de hoogte van een zangzolder hun solo’s uit te halen en hun muzieknummers de kerkruimte ingalmen. Het Gregoriaans, de liturgische muziek bij uitstek, werd wordt weer op zijn ereplaats hersteld.
Naar deze gedachte moest Groessen zijn kerk krijgen, toen een vergroting opnieuw noodzakelijk bleek. Het moderne leven bracht ook dit probleem mee. De steeds verder voorschrijdende vorderingen van de geneeskunde, gepaard aan een voortdurend verbeterde gezondheidszorg, deden de kindersterfte af- en de gemiddelde leeftijd toenemen. Gevolg hiervan was een vrij snelle, gestage groei van de bevolking van Nederland. De parochie Groessen, die aan het begin van de 20ste eeuw maar even 1200 zielen telde, had er eind 1952 al 2002. Terwijl van 1850 tot 1900 een groei van ruim 100 zielen kan worden geconstateerd, d.i. bijna 10%, is de bevolkingsvermeerdering in de eerste helft van de 20ste eeuw ruim 750, d.i. 23% debet. Deze buiten beschouwing gelaten zien we dus nog altijd een natuurlijke groei van 40%.
Pastoor Kruis heeft  het ondernomen, wat de kerkbouw betreft, dit probleem tot oplossing te brengen. Toen na lang wikken en wegen, bekijken en nog eens weer overwegen, besloten was, heeft hij de moderne oplossing van architect Valk van een Christocentrische kerkgebouw aanvaard. Het was toen nog niet de tijd over alles een verantwoord en onpartijdig oordeel te vellen. Wij constateren hier, dat ernstige moeilijkheden bij deze kerkbouw de pastoor noopten het emeritaat te aanvaarden.
Zijn opvolger B A. Preller (1932-1941) heeft de bouw toen verder moeten laten uitvoeren. Het oude gedeelte werd gespaard, neen in meer oorspronkelijke staat hersteld. Van de muren, pijlers en gewelven verwijderde men de bepleistering en polychromie; de vloer, die in de loop der tijden enige keren opgehoogd was, werd op het oorspronkelijke niveau teruggebracht; de zangzolder verdween. De mooie 17de eeuwse balustrade kreeg een plaats om de doopvont, die in het noorderdwarsschip werd gezet; ook de oude beelden ontdeed men van de verf, die de neogotiek erop had aangebracht.
Dat werd de kerk! Gebouwd in de idee van liturgisch meeleven van de gelovigen. In veel moesten deze dit echter nog leren en gewennen. Dat was het doel van de misweken, één in 1936 georganiseerd door pastoor Preller, gehouden door twee paters Norbertijnen, de tweede in 1947 onder pastoor Schoemaker en gegeven door twee paters Franciscanen.
Pastoor Preller was een overtuigend aanhanger van deze liturgische gedachte, die de leken wilde maken tot medewerkers in de kerkelijke gemeenschap om ze te onttrekken aan de passieve rol van enkel maar toehorende traditioneel trouwe kerkgangers te zijn.
Hij zou ongetwijfeld in deze richting zijn voorgegaan, ijverig en plichtsgetrouw, misschien op het gewetensvolle af, goedhartig en joviaal. Doch de oorlog kwam met heel de vernietiging van het eigen organisatieleven. Hij, die alles zwaar, te zwaar inzag, heeft dit vermoedelijk niet meer kunnen verwerken. Geslagen en gekweld door de zorgen, die de nasleep van de kerkbouw had meegebracht, is hem de Duitse bezetting daarbij te veel geworden. Zijn steeds toenemende zwaarmoedigheid noopte in 1941 tot zijn ontslag.
De opvolger, de Zwollenaar H.J.M. Schoemaker, bleek een ijverig voorstander van het liturgisch medeleven van de gelovigen met de Kerk. Nog meer dan pastoor Preller, die te zwaar zag tegen de lasten, welke de bouw ervan had meegebracht, waardeerde hij de Christocentrische kerk. De oorlog en de bezetting van 1940-1945 gaven echter voorlopig weinig gelegenheid tot activiteiten. De oprichting van de Aartsbroederschap der H. Familie, die de hier saai geworden Congregaties moest vervangen, en het houden van een open parochieretraite in 1942, door de pater Redemptoristen, waren wel de enige bijzondere acties van enig belang, die mogelijk bleken. Misschien meer nog dan de talrijke verordeningen van de bezetters, die ongeveer elke actie beletten, waren de geestelijke druk en benauwenis, die op de mensen lagen, een beletsel om iets van betekenis te ondernemen.
Toen kwamen de najaarsdagen van 1944, waarin de Rijn de frontlinie werd. Zes personen door granaatvuur gedood, twee door de Duitsers op beschuldiging van spionage gefusilleerd.
De evacuatie kwam toch. Varsseveld was het oord waar de Groessenaren terecht kwamen. Het was er goed bij de Achterhoekers, ondanks het verschil in religie. De toen door de Varsevelders betoonde Christelijke naastenliefde heeft vriendschapsbanden geknoopt. Maar toch: men was hier evacué met al het deprimerende, al de kleine, dagelijkse miseries van dien. Toen hebben de parochianen hun pastoor gewaardeerd als iemand, die, als het in die gevaarvolle dagen even kon, dagelijks van Harreveld kwam, om een woord van bemoediging te spreken, waar dat nodig scheen, zieken te bezoeken, biecht te horen, catechismusonderricht te geven, ja zelfs te Silvolde in de vasten van 1945 de lijdensmeditaties te houden. Hij bewaarde de gemeenschapsband onder de parochianen.

Vernieuwing en herstel.
Na de bevrijding en terugkeer in het voorjaar 1945 wordt het leven geleidelijk als vanouds hervat. De oorlog en bezetting hebben veel kapot gemaakt, niet enkel op materieel, ook, meer nog, op geestelijk en moreel terrein in de uitgebreidste zin van het woord. De roes, de dronkenschap van de bevrijdingsuitgelatenheid, waaraan men zich overgaf, liet dat dadelijk al zien.
De pastoor, royaal en goedmoedig in de omgang, kan er fel en ongenadig tegen ageren.
Hij laat het niet bij dit negatieve bestrijden van het kwaad. Hij weet ook dat de oorlog winst heeft gebracht, winst aan inzicht in de betekenis en waarde van de dingen. De bezinning brengt bij velen verdieping in geestelijke waarden. Het liturgisch leven wordt meer in het centrum geplaatst.
Nauw hiermee samenhangend, is de bezinning op de werkelijke waarden van het eigene in dorp en streek, een bezinning die haar grond vindt in het meer en meer zien verloren gaan van dat eigene in de ontbinding, vervlakking en massaficering van het moderne levensritme. Daar zijn de bedevaarten naar de Nood Gods te Oud Zevenaar; daar is het eigene van het dorp: de Grote en Kleine Omdracht, het Sint Andreasfeest, de schutterij E.M.M. opgericht in 1895. Het feest van Andreas, wordt in overeenstemming met een belofte in de oorlog gedaan, voorlopig voor tien jaar (1945-!955), als zondag met vigilie vooraf, gevierd.
In de twintig jaar tussen 1945 en 1965 maakte het Nederlandse katholicisme ingrijpende veranderingen door. Het ideaal van de vooroorlogse volkskerk die zoveel mogelijk “roomsch in alles” wilde zijn maakte in de loop van deze periode plaats voor meer dynamisch streven van een kerk als “Gods volk onderweg”.
De eerste jaren na de bevrijding zijn gekenmerkt door enerzijds de behoefte aan herstel en anderzijds het streven naar vernieuwing.
De geschiedenis leert dat er in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog inderdaad fanatiek is gewerkt aan het herstellen van de organisaties die door toedoen van de Duitse bezetter waren verdwenen. De vernieuwingsdrang bleek toch sterker dan de herstelbehoefte. Dit geldt voor de kerk zelfs in hevige mate.
De geloofswaardigheid bij de jongeren had tengevolge van de oorlog en de losbandige tijd direct na de bevrijding veel teniet gedaan. De zondagse kerkgang werd ongeïnteresseerd bijgewoond. De bisschoppen probeerden door middel van een godsdienstcursus voor achttienjarige in 1949 hun geloofskennis weer te activeren. Van deze inspanning is maar weinig overgebleven.
Uiteindelijk kwam ook de kerk in beweging. Het hardnekkige standsdenken dat vaak de plaats van de parochianen in de kerk bepaalde, verloor zijn geloofwaardigheid. Aan het beschamende systeem van de “armenbanken” die mensenheugenis de sociale afspiegeling van de parochie in de kerkbanken voor iedereen goed zichtbaar had geregeld, werd afgeschaft en vervangen door het mobielere plaatsengeld. Het grote aantal klassen bij uitvaart- en huwelijksdiensten werd geleidelijk gereduceerd om uiteindelijk te verdwijnen.

Het Nederlands katholicisme maakte sinds de jaren zestig een crisis door, zoals het sinds de Hervorming niet meer beleefd heeft.
Het aantal parochies dat steeds was uitgebreid, had rond het midden van de jaren zestig zijn hoogtepunt bereikt. Deze parochies werden bemand door ruim voldoende priesters: een pastoor en zoveel kapelaans als hij nodig had. In de parochies bruiste het dan ook van kerkelijke, culturele en sociale activiteiten. Ook voor andere pastorale en apostolische taken in binnen- en buitenland stond een keurkorps van geestelijken, religieuzen en ook steeds meer lekenapostelen ter beschikking.
In die volgroeide toestand is binnen weinige jaren grondige veranderingen gekomen: niet tengevolge van een toevallige crisis van buitenaf, maar door een bewust nagestreefde ommekeer van binnenuit. Hiermee wil niet gezegd zijn dat een groep “bekeerlingen” de vooropgezette bedoeling heeft gehad de katholieke kerk in een diepe crisis te storten, maar wel dat de vernieuwende voorhoede niet geschroomd heeft zich te wagen aan allerlei experimenten en deze zelf bewust gezocht heeft.
Het was vooral ook een spannende tijd, zoals ze nog nooit eerder hadden meegemaakt. Uit titels van tijdschriften en andere publicaties kan men trouwens afleiden dat de katholieken nog steeds graag op een “kruispunt” vertoefden, als een ontmoetingsplaats van historische en toekomstige ontwikkelingen; graag bereid de weg te wijzen naar de “kerk van morgen”.
Van de weeromstuit werd de kerkprovincie door Rome op zichzelf teruggeworpen en gedwongen een andere richting in te slaan. Zij werd niet alleen in de verdediging gedrongen maar raakte als “besmette kerk” die naar schismatiek riekte, ook steeds meer geïsoleerd binnen het grote geheel van de wereldkerk. Dusdoende moest de “kerk” in beweging in de jaren zeventig en tachtig een bewogen ommekeer doormaken. De “in vrijheid herboren”kerk die nauwelijks twintig jaar eerder zo zelfbewust haar “katholieke herleving” had herdacht, worstelt sinds een twintigtal jaren met de vraag naar de katholieke overlevering in de moderne, geseculariseerde samenleving.
De crisis van het Nederlands katholicisme die zich in de jaren zestig begon af te tekenen heeft zich in de jaren zeventig en tachtig voortgezet en sterk verdiept. Door deze crisis heen kan men twee gezichten onderkennen: een “publieke kerk” die bijna geheel wordt beheerst door polarisatie, en een “verborgen Kerk” die vooral in de parochies voortleeft, zij het op veel bescheidener schaal dan voorheen.
Overigens kon de pastorale aanpassing aan de behoeften en verlangens van het kerkvolk niet verhinderen dat de kerkelijke betrokkenheid steeds verder afnam. Het onderzoek God in Nederland dat het weekblad Margriet liet uitvoeren had al in 1968 aangetoond dat er zich op het gebied van godsdiensten kerkelijkheid grote veranderingen voordeden. Toen het weekblad De Tijd in 1979 dit onderzoek herhaalde onder de titel God in Nederland werden de eerdere waarnemingen bevestigd: een opvallende achteruitgang van kerkelijke betrokkenheid en invloed, in het bijzonder bij katholieken.
Het veranderde gedrag kwam het duidelijkst tot uiting in het teruglopend misbezoek tijdens de weekends, want ook de uitbreiding van de zondagsmis naar de zaterdagavond had die teruggang niet kunnen stoppen.
Ingrijpender echter was het snel groeiend tekort aan priesters. Parochies moesten samengevoegd worden en konden steeds moeilijker bediend worden. Niet alleen hadden vele priesters in de zeventigen jaren al het ambt verlaten en deze trend zette zich nog voort. Het vrijwel ontbreken van de nieuwe aanwas zorgde voor een vergrijzing van de traditionele voormannen van het katholieke leven. Ook hierin kon een aantrekkingskracht van de kerk gezien worden. De nieuwe theologische opleidingen trokken weliswaar studenten aan, maar deze waren in de meeste gevallen niet meer bereid te kiezen voor een klerikale levensstaat, inclusief het celibaat. Een nieuwe ontwikkeling was bovendien dat ook vrouwen theologie gingen studeren.
Om de behoefte aan pastoraal personeel te voorzien was een wezenlijke aanpassing noodzakelijk. De oude begrippen zielzorg en zielzorger verdwijnen helemaal uit het kerkelijk jargon en worden vervangen door pastoraal of pastoraat en door pastor. De “neutrale” naam pastor bood trouwens ook de mogelijkheid om een nieuwe groep kerkewerkers tamelijk soepel een plaats te geven: de pastoraal werkenden, zowel mannelijke als vrouwelijke.
Van verschillende zijden is geconstateerd dat bij jongeren nog nauwelijks iets van katholicisme bekend is. Niettemin zijn er ook symptomen waar te nemen op grond waarvan de vraag gesteld kan worden, of voor het katholieke leven, net als voor alle leven, geldt, dat het leven sterker is dan de leer?
Hoe dan ook, sinds een aantal jaren bestaat er onmiskenbaar een groeiende belangstelling voor of minstens nieuwsgierigheid naar de katholieke kerk, ook bij jongeren. De interesse komt vooral naar buiten bij speciale gelegenheden en momenten.
Bedevaarten en processies bijvoorbeeld zien het aantal deelnemers weer stijgen.
Seksuele misbruiken binnen de clerus heeft veel overhoop gehaald. Het kan de kerk alleen maar zuiveren van verborgen zaken en beter een geloofwaardige toekomst tegemoet zien.
 
Bronnen.
- B H Slicher van Bath. De agrarische geschiedenis van West-Europa (500-1850) 1960
  Aula Nr. 32.
- L.H. van de Heijden, Het kerspel Groessen, Archief Aartsbisdom Utrecht, Nr 52
- Licht op de duistere middeleeuwen. Uit: Veldwerk 1981/82 A.W.N. afd. Zuid-Veluwe
   en Oost Gelderland, Project Nieuwe Weem.
- Rijksarchief in Gelderland te Arnhem, Rechterlijke Archieven der Kleefse Enclaves,
   Inv. Nr. 1832.
- Archief Huis Bergh, fol. 110.
- Archief Aartsbisdom Utrecht Nr. 62 3de deel.
- Archief Parochie Sint Andreas, Zevenaar.

- Oud Archief Zevenaar, Inv. 1039 t/m 1043; 1035 t/m 1038; 1581 t/m 1590;
-Memoriale  een eeuw katholiek leven in Nederland, Herman Pijpers & Jan Roes,         
  Waanders  Uitgevers< Zwolle 1996


.