kermis in d

 

 

Kermis in de Liemers

 

            door

Theo
Goossen te Zevenaar en Hans Kooger te Arnhem

Kermis vieren is een eeuwenoude traditie. In de 19e eeuw
was  het geen uitzondering dat  op

Aan sommige attracties is een verhaal verbonden, zoals bij
de Kop van Jut. Hendrik Jacobus Jut was een moordenaar uit de 19e eeuw, die tot
levenslang werd veroordeeld. Na  drie
jaar gevangenisstraf overleed hij. Een kermisexploitant zag brood in Juts
levensloop en ontwierp een houten Kop van Jut waarop het publiek zich kon uitleven.

Oorsprong en achtergrond.

Over de oorsprong van de kermis bestaan diverse lezingen. De
kermis (jaarmarkt) is misschien in de tijd van de Romeinen ontstaan, maar het
volksfeest zou ook afgeleid kunnen zijn van kerkmis of kerkemis, een feest ter
herdenking van de inzegening van de plaatselijke kerk of van de viering van de
sterfdag van de patroonheilige. Het Latijnse woord voor jaarmarkt is forum, *het
Franse foire, het Engelse fair of het Vlaamse foor (kermis) zijn daarmee
duidelijk verwant.

Zo'n markt trok straatartiesten aan en het forum ontwikkelde
zich tot de kermis zoals die nu is.

De eerste kermisattracties bestonden uit rondreizende
menagerieën met dierentemmers en exotische dieren, slangenbezweerders,
vuurspuwers en natuurlijk muzikanten.

Vermakelijkheden.

De kermisattracties bleven tot de 18e eeuw beperkt tot
voorstellingen van koorddansers, acrobaten, kwakzalvers en het optreden van
waarzeggers, poppenkastspelers, enzovoort.

Daarnaast kon men zich te buiten gaan aan de nodige
snuiterij- en snoepkramen en in eet-, dans- en drinkgelegenheden.

Aan de basis van de eerste mechanische attracties stond
waarschijnlijk de draaimolen, met houten paarden en wagens die via kettingen
aan balken waren opgehangen en stervormig om een  spil konden draaien; de carrousel. Die oude
draaimolens waren licht en klein en werden bewogen door handkracht, ezel of
paard. Vóór de kermis werd een gedeelte van de vloer verwijderd voor het
trekpaard en daarna werden de planken weer op hun plaats gelegd.

Het beest liep aan de binnenzijde van de molen linksom,
tegen de klok in, op een met zand 

bestrooid pad. De molen had namelijk geen rem. Als de
geelkoperen bel luidde voor het eind van de rit werd een plank, die aan één
zijde aan d e molenvloer was bevestigd, op dit zandpad gegooid. Door op die
plank te gaan staan werkte deze als een rem.

N*a de uitvinding van het draaiorgel (19e eeuw) werd in de
kermismolen een cilinderorgel geplaatst dat later geleidelijk is vervangen door
boekorgels. Ze werden in het "paardentijdperk" nog met de hand
gedraaid. Ter versiering hingen met kralen bewerkte kleden over de balken. De
verlichting was met olielampen, die de vetpotjes hadden opgevolgd.

De vloer van de molen was opgehangen aan glanzend gepoetste
geelkoperen stangen aan de kap.

Na de ontwikkeling van de stoommachine, de  verbrandings- en elektromotor, werd de
aandrijving gemechaniseerd. Gloeilampen kwamen in de plaatst van oliepitjes.

De zweefmolen bezat dezelfde opbouw als de draaimolen, met
in plaats van een vloer, een aantal tweepersoonsbakjes dat aan de kap was
opgehangen. Kermisvierders zaten rug-aan-rug of in eenpersoonsbakjes. De
attracties werden steeds ingewikkelder. De uitvinding van de elektriciteit, een
nieuwtje dat indertijd op de kermis was gepresenteerd, luidde de moderne

vorm, het lunapark in (1).

De Amerikaan Thompson was de ontwerper van de eerste
primitieve achtbaan. Nog steeds komen nieuwe kermistoestellen overwaaien uit
Amerika, zoals bijvoorbeeld de Caterpillar

Ride, bij ons rupsbaan genoemd. Na de intrede van de
computer werden bijna alle attracties

gestuurd door software, wat de veiligheid veelal ten goede
gekomen.
Vroeger pachtte de exploitant een stuk grond, tegenwoordig betalen de
kermisexploitanten. de  staangelden die
afgestemd zijn op grootte, belangrijkheid en soort van het toestel.

Patroonsfeest voor de parochie

In de Liemers worden vanaf begin mei tot half oktober
kermissen gehouden in Wehl, Nieuw-Wehl, Didam, Aerdt, Pannerden, Loo, Duiven en
Westervoort. In bijna al deze plaatsen is de oorsprong van de kermis niet te
achterhalen. De dag van de kerkwijding was, zeker in de

Middeleeuwen afhankelijk van de  aankomst van 
de bisschop, die in zijn uitgestrekt diocees niet elk jaar en in alle
seizoenen nieuwe kerken kon consacreren. De feestdagen van veel kerkpatronen
vallen in de late herfst of winter, bepaald niet uitnodigend om kermis te
vieren.

Voor de dorpen Duiven, Aerdt en Elten viel of valt de kermis
nog steeds samen met het feest van de schutspatroon van de kerk. Kerkelijk
vierde Duiven tot 1888 met veel luister de feestdag van haar patroon, de H.
Remigius, op de laatste zondag in september. De kermis ging

vooraf aan de eigenlijke St. Remigiusdag op 1 oktober. De
middeleeuwse dorpskerk te Aerdt was vóór de Hervorming toegewijd aan St.
Helena. Haar feestdag wordt op 18 augustus ge*viert. De jaarlijkse kermis
begint nog steeds van oudsher op de eerste zondag na de

15e augustus.

Hoewel het "vruten" de Liemerse bevolking in het
bloed zat, zou niemand het wagen op de

kermisdagen te werken uit vrees door zijn dorpsgenoten
"gelyncht" te worden. Op de kermisdagen werden de koeien niet op tijd
gemolken en gevoerd. De zondagse kleren kwamen uit de kast. De Liemersen waren
het gehele jaar zuinig tot op het gierige 
af, maar met de kermis werden de bloemetjes buiten gezet en met paard en
wagen of per kruiwagen brood en vlees naar huis vervoerd. Enkele dagen voelde
men zich de "grand seigneur", at

wittebrood en krentenbrood, vlees bij kilo's en rijst met
krenten. Moeder kookte op kermiszaterdag voor de drie kermisdagen tegelijk en
zo overvloedig, dat de talrijke familieleden, die van heinde en ver kwamen,
zich als Pallieter konden oververzadigen in de van de vloer tot de hanenbalken
kraakhelder schoongemaakte woning. Op het hoogtepunt van drie dagen wandelden gastheren
en gasten langs geharkte en gewiede erven en kaalgeknipte hagen aar de
jaarmarkt, die eeuwenlang is gehouden op dinsdag, waar kooplieden schreeuwden,
grimassen trokken en elkaar bedotten, waar koeien loeiden en men bij elke tien
passen een oude kennis ontmoette..

Veel jongelui bezochten alle Liemerse kermissen en schopten
er wel eens herrie (2).

In de Liemers stonden veel kerken en dus ook veel herbergen.
Volgens een oude boerenspreuk bouwde de duivel een herberg naast de kerk die
door Onze Lieve Heer   gebouwd. De
geestelijken lieten zich nauwelijks op de kermisterreinen zien, wel preekten
zij vooraf over de negatieve kanten van het feest. Het kerkvolk liet die
woorden gelaten over zich komen om daarna rustig te gaan kermis vieren.

Zonder kermis was de mensheid al lang uitgestorven, zo luidt
een oude boerenwijsheid. Hoe zouden jongens en meisjes elkaar gevonden hebben
zonder kermis? Vrijgezellen vroegen elkaar belangstellend voor de feestdagen of
ze al "kermisvleis" hadden (3). 

Jaarmarkt, processie en schuttersfeest

De kermis werd al in de Middeleeuwen gehouden, vaak in
combinatie met een processie.

Die evenementen werden met klokgelui aangekondigd. Jacob
Vallick, in 1541 pastoor in Groessen, noteerde 
in zijn "Kerckenboeck" "Soo hoort de Coster d och ten
vier Hochtijden

ende op Sinte Andreas-dagh,
onse Patroon, ende op onse Kermis, soo hoort hij met de grote klocke te
luijden".

Meestal was er tijdens de kermis
ook een jaarmarkt, een volksfeest bij uitstek, en het ging er niet altijd
rustig aan toe. Het was een uitlaatklep voor een hard en saai bestaan van de
mensen

in de Middeleeuwen. Omdat de
kermissen vaak gepaard gingen met openbare dronkenschap,

liederlijkheid en nog meer
ondeugden werd er hard tegen opgetreden, maar zonder veel succes. In gebieden
waar de Reformatie de overhand had, verbood men de kermis en het
processiehouden geheel en op sommige plaatsen in ons land is dat nog het geval
(4). Daarmee werd ook de bestaansgrond aan
de schutterijen ontnomen en werden ze opgeheven.
In de Liemers, die het hertogdom Kleef behoorde, bleef het katholieke
kerkelijke leven nagenoeg ongehinderd bestaan en daarmee ook de verbonden
instellingen kermis en schutterij.
De geüniformeerde schutters gaven kleur aan kerkelijke en wereldlijke feesten.

Didam

In de Liemers waren de kermissen
over de gehele zomer verspreid. Maar de kermis der kermissen werd in Didam
gehouden. Daar werd langer schoongemaakt, minder gewerkt, meer gegeten en
gedronken en ontving men meer gasten dan in welke andere buurgemeente ook. De jongens
en meisjes die in andere plaatsen in betrekking waren, hadden bij het
"zich verhuren" bedongen dat zij gedurende de kermis met verlof naar
huis mochten. Niet alleen de Didammers keken weken lang naar de kermis uit, ook
honderden inwoners uit andere dorpen, met als gevolg drukbezochte
feestterreinen waar men over de hoofden kon lopen.

Op 11 oktober 1685 stierf Juliana
van Palland, de dienstbode van Jan Verheij, op de Luijnhorst. Zij was "om
Didamse kerkmisse crank geworden".
In Didam was al in de 17e eeuw
omstreeks oktober kermis.\

Wessel Stokman uit Babberich
vroeg in 1780 een vergunning om dansmuziek te laten spelen in zijn
etablissement ter gelegenheid van de "Diemsche Kirchmesse"(5). Uit een protocol bleek dat Hendrik Boerboom
aan Reinder Duis Gz. zijn "partheij tabak bestgoed ad dertien guldens
het honderd pond in het begin van de maand October 1800 op voorwaarde uiterlijk
voor de Didamsche kermis te ontvangen in de brouwerij alhier".

Op 20 Augustus 1783 constateerde
dokter Haack uit Elten in de Ruigenhoek te Didam bij Jan Peeters rode loop
(dysenterie). De Didamse Drost verbood hierop "Het Boxembier, waarop
doorgaans allerhand menschen soo van daar al uit den Lande van Cleve quamen.  Daarbij

volgt dat wij hier in het
begin van de volgende maand October eene seer volkrijke kermis hebben welke
twee à drie dagen duurt en waarop seer veele landlopers quaksalven komen, die
door het verkopen van haar medicamenten het verder sullen aansteken en dus te
vreesen is dat die siekte hier generaal sal worden."

In de 18e eeuw waren er in de
Liemerse dorpen nog geen artsen. Een geneesmiddel voor alle kwalen verschaften
alleen de buurvrouw en de kwakzalvers op de kermis. Zieke tanden bleven de
dorpelingen pijnigen tot de "kermissmid" verlossing bracht.

Tijdens en vooral 's avonds na de
kermis vocht men graag oude en nieuwe veten uit. Een mes en kapotte bierglazen
waren geliefde wapens. Sommige lieden kwamen van een koude kermis thuis. Zoals
drie jongelui uit Wehl, Reinder Roelofse, Gerrit van Uhm en Derk Thimessen overkwamen,
die in 1796 gingen stappen op de Didamse kermis. Zij bezochten 's nachts het lawaaiige
café van Hendrik Hendriksen. Tegen sluitingstijd, bij twaalven, maande de
knecht van de kastelein Reinder Roelofse dat hij de verteringen (12 stuivers)
van een groep Olburgenaren moest betalen. Reinder wees dit af, waarna de
kastelein en zijn knecht hem vastgrepen en hem de trap van de opkamer opduwden
waarbij zijn mes uit de "noadzak" van zijn broek schoot (knipmessen
waren nog onbekend). Volgens Reinders' verklaring, later beschreven in een
proces verbaal, had hij het mes meteen opgeraapt en opgeborgen. Derk Thimessen
verklaarde echter dat hij met het mes in de hand dreigend had geroepen: "Heruijt,
Duijvels allemaal".
Roelofse en Thimessen werden het café uitgeslagen
en in handen van de nachtwacht gesteld. Thimessen en Roelofse konden zich, door
hun exorbitant drankgebruik, van de hele toestand later weinig meer herinneren.
Derk had er een gat in zijn hoofd en een scheur in zijn jas aan overgehouden.
Na een kort verhoor liet de  wacht hen
vertrekken. ({6)

In het tweede en derde kwart van
de 19e eeuw vestigden zich op de Diemse Hei vreemde lieden, die men kermisvolk
noemde. Zij hadden een zwervend bestaan en oefenden beroepen uit als
liedjeszanger, orgeldraaier, ketellapper en pottenkrèmer. Later zijn die gasten
weer van de Hei verdwenen. Maar kermisvolk is nooit weg gebleven van de
kermissen. Tot in de 20e eeuw liep het geregeld door de straten. Burgemeester
Sutorius van Didam liet op 12 oktober 1909 in "De Post"mededelen dat "Liedjeszangers,
straatmuzikanten en zij, die met een of ander artikel venten (...), evenals
woonwagens, bij gelegenheid der Kermis te Didam niet (werden) toegelaten."

Tijdens de bekende meimarkt in
Didam, die begon op de eerste zondag in mei en voortduurde op de maandagse
marktdag, was er ook kermis en werd er gedanst. Deze markt was al omstreeks
1800 bekend vanwege een vete die werd 
uitgevochten tussen voor-  en tegenstanders
van een pastoorsbenoeming (7).

Burgemeester Kroonenburg van
Didam maakte op 25 april 1935 aan een ieder bekend "dat door hem geen
vergunning worden verleend op maandag 6 mei a.s. (marktdag) voor
liedjeszangers, harmonicaspelers en andere muzikanten, straatfotografen,
worstelaars, goochelaars, invaliden die bedelen en dergelijken".

Van de zeven danszalen in de
gemeente Didam bestonden er vier uit zolders. Daags voor de kermis plaatste de
uitbater een trap onder de zolderopening. De rest van het jaar was het gat met
een luik afgesloten. Als de zolder niet al te stevig meer was, werd ze gestut. In  de danszalen kon een blind paard maar weinig
schade aanrichten. Het meubilair bestond uit ruwhouten tafels en banken zonder
leuning. Kermisbier en jenever werden bij stromen verzwolgen. De kermis was de
"bouwt", de oogst voor de kasteleins. Arm of  rijk verzamelde kermisgeld, al moest men zijn
varken of geit daarvoor verkopen.

Wehl

De Wehlse processies, marktdagen
en kermissen gaan terug tot een ver verleden. Al in 1722 werd een wacht
ingesteld om tijdens de kermis en omdracht dienst te verrichten. Om te
verhinderen dat "fatsoenlijke mensen op die dagen soms door den drank
verhit in twist geraken, doch niet gaarne met de armenwachter in aanraking
willen komen. Aan deze wacht wordt dit jaar een toelage toegekend van 2
Reichsthaler."

In Wehl werd na de H. Mis op een
processie en een jaarmark gehouden. Op 25 september 1852 legde de gemeenteraad
van Wehl de markten en (openbare) processiedagen precies vast: de maandag na
Drievuldigheidzondag en de maandag na de eerste zondag in september.

De voorjaarsprocessie,
"Wehlse Umdracht" genoemd, werd op Drievuldigheidszondag gehouden.
Dat is de eerste zondag na Pinksteren. Op gelijke wijze ging op de eerste
zondag in september de processie naar het hagelkruis. Na afloop trokken de
inmiddels geopende kermisvermakelijkheden en het kermismaal de nodige
belangstellende. In Wehl wordt twee dagen kermis gehouden.

Omtrent 1900 trokken de boeren en
boerinnen op kermiszondag in alle vroegte naar de Wehlse markt. De danszalen
waren op die dag bezet tot elf uur 's avonds, waarna de klokken werden geluid
ten teken dat de kermis was afgelopen. (8)
De  "katholieke
Drankbestrijding" probeerde haar invloed uit te oefenen om de kermisdagen
behoorlijk te laten verlopen.

In 1905 organiseerde de
vereniging "Houdt voet bij stuk" op kermismaandag festiviteiten op
het terrein bij Broekhuizen. Dat gebeurde tot grote ergernis van de cafébazen
en marktkooplieden, die steen en been klaagden over het "wegzuigen"
van de feestvierders. 1908 was er al een tweede vereniging, de fietsclub
"De Eendracht", die zich behalve met fietswedstrijden ook met de
kermis bezig hield (9).

Op 19 maart 1925 werd in  Nieuw-Wehl een parochie gesticht. Het
parochiefeest werd sinds het midden van de jaren twintig behalve met een
processie ook met een kermis in juni gevierd.

Westervoort

Talrijke donderpreken van
pastoors en dominees konden de kermissen niet verhinderen. Het voortbestaan was
een staaltje van die "vrijheid in zake de vele superstities" waarmee
de heren hun gezag over het volk plachten te handhaven. Gezagdragers lieten de
kermissen oogluikend toe. In Westervoort trok de Gereformeerde Kerk aan het
kortste eind. Zij kreeg voor een voerstel om de kermis te verbieden geen steun
van het grafelijke Huis te Bergh.

De bekende streekhistoricus/onderwijzer
A.G. van Dalen schreef over de Westervoortse kermissen: "Na een zomer van
hard en zwaar werk gooiden de boeren in een onbeteugelde feestroes de kabels los,
zo goed als de arbeiders op de steenfabrieken na de onmenselijke zomercampagne.
Zij die zich in Duitsland van Pasen af afgebeuld hadden tot ze pezigmager

tot soms onherkenbaar toe
huiswaarts keerden, haalden eveneens duchtig uit. "

De Westervoortse kermis was
berucht in de streek, waar "volk uit de stad en die van Rheden"
de ruzies en vechtpartijen kwamen verergeren (10)
.

Omstreeks 1920 besloot het
gemeentebestuur een vergunning voor dansen op zondag te geven aan danslokalen
die het verst van de dorpskern verwijderd lagen. Die permissie was een
tegemoetkoming aan de caféhouders aan de rand van het dorp, want kermishouders
bleven doorgaans op het kermisterrein.

Dominee Oskamp, beroepen in 1904,
en pastoor Wolffenbuttel, die in 1901 in Westervoort kwam, zagen niets in het
kermisgedoe. Dominee Oskamp wilde het "zinloze feest" boycotten door
tijdens de kermisdagen zanguitvoeringen met lichtbeelden te geven in de kerk. De
dominee nam de kinderen van de catechisatie ook voor uitstapjes mee tijdens de
drie Westervoortse kermisdagen. Maar ds. Oskamp had niet alles onder controle
want twee kerkenraadsleden bezochten zelf de kermis. Pastoor Wolffenbuttel
organiseerde een "missie",

een week van meditaties en
geestelijk onderricht door paters (11).

In 1903 stonden de volgende
kermisattracties in de Dorpsstraat; de stoomdraaimolen, een draaimolen, een
luchtschommel, vijf koekkramen, twee gebakskramen, een viskraam, drie
galanteriekramen, een schiettent, zes slagmachines en een tentje waar de
toekomst wordt

voorspeld.

De Westervoortse kermis is op de
eerste zondag in Oktober.

Op het Eiland

Kermissen en schutterfeesten
worden gehouden te Lobith, Spijk, Herwen, Aerdt en Pannerden.

In de statuten van de huidige
schutterijen staat vermeld dat zijn zich onder meer tot taak stellen om de
feestelijkheden tijdens de jaarlijkse kermissen in goede banen te  leiden. De doelstelling was en is om een
feest voor de gehele gemeenschap te organiseren. Zo meende men "de
goeden" weg te houden van de herbergen, de poelen van verderf en zonde.
Het  "kroegvolk" hield toch wel
zijn feesten. Vandaar dat de schutterijen eigen tenten opstelden en zalen
bouwden; de feestelijkheden vonden plaats op particuliere terreinen.. De
plaatselijke overheid was verantwoordelijk voor de openbare orde en zij
verleende vergunningen.

De eerste vermelding van een
kermis in Herwen en Aerdt dateert uit 1900. In Pannerden was er tussen 1600en
1800 nauwelijks sprake van een kermis. In het kerkarchief bevindt zich een
aantekening dat de kerkmeester zich in 1844 het ongenoegen van de pastoor op de
hals haalde om een deel van het kerkhof te verpachten als standplaats voor een
wafelkraam en een tent voor de muziek. Officieel is eerst in 1853 iets over de
Pannerdense oktoberkermis  vastgelegd,
toen in verband met de heersende cholera de kermis (met slechts een
speelgoedtentje en koekkramen) werd verboden. Men viert nog steeds de kermis en
schuttersfeest op drie achtereenvolgende dagen, die beginnen op de op de eerste
zondag in oktober.

In Herwen en Aerdt gaf de kermis
al in het begin van de 19e eeuw aanleiding tot opschudding (12).  Om
toch enigszins greep te krijgen op wanordelijkheden verzocht de Heer van
Hugenpoth tot Aerdt in 1811 om alle cafés om 22 uur te sluiten. In een
briefwisseling uit 1849, tussen pastoor Terwindt te Herwen en de Gedeputeerde
Staten van Gelderland, blijkt duidelijk het ongenoegen van de zieleherder.
Pastoor Terwindt gaf de plaatselijke overheid een flinke veeg uit de pan omdat
zij niet doortastend genoeg optrad bij de handhaving van de openbare orde

"dat sommige Schouten vooral
op de op Zondag invallende kermissen een te ruim gebruik maken van het vermogen
bij de wet aan de plaatselijke besturen toegekend om bij het landvolk
gebruikelijke openbare vermakelijkheden te doogen, welke den geheelen nacht in
dansen, brasserijen en drinkgelagen pleegen voort te duren en derhalve deze,
gemeenlijk ten koste der Zedelijkheid  aldus worden uitgerekt, niet zelden op vechtpartijen,  kneuzingen en verwondingen met kneuzende en
snijdende wapenen uitlopen."

In februari 1905 kwamen zo'n
dertig inwoners uit Herwen en Aerdt bij elkaar in het Vincentiuslokaal te
Herwen om een gezamenlijke schuttersvereniging op te richten, onder meer om de
kermisviering in beide dorpen in de hand te kunnen houden. Op 26 februari 1905
vond de oprichting plaats van de schuttersvereniging "Vrede en
Vriendschap" te Herwen.

Aerdtse inwoners, die geen lid
waren geworden van de schutterij, hadden geen toegang tot de feesttent.
Intussen had men in Aerdt ook niet stil gezeten en na uitsluiting in Herwen de
koppen bij elkaar gestoken. Op 30 april 1905 werd de schutterij
"Eensgezindheid" opgericht.

Aerdt had kennelijk belang bij
een eigen schutterij. De jaarlijkse kermis aldaar liep meestal uit de hand en
drinkgelagen, vechtpartijen en dergelijke kwamen regelmatig voor. Toezicht was
er nauwelijks, af en toe keek een veldwachter naar het feestgedruis, maar
verder gebeurde er niets.

De toenmalige pastoor van Herwen
bedankte in 1905 voor het erelidmaatschap van de schutterij. Gezien de
toestanden in de afgelopen jaren, hield hij zich liever afzijdig.

Aanvankelijk boterde het niet zo
erg tussen de schutterijen van Herwen en van Aerdt. Later is dat gelukkig
veranderd. De verenigingen onderhouden tegenwoordig zeer goede
vriendschapsbanden.

Op 22 april 1850 werd officieel
in Lobith een schuttersgilde heropgericht. Uit de oprichtingsstatuten blijkt het
doel: om elk jaar tijdens de kermis op de vogel te schieten en daarna de nieuwe
koning te introduceren. Hoewel het vogelschieten hoofdzaak was, wilde het
bestuur excessen (vooral dronkenschap) voorkomen.

Op kermiszondag houdt Lobith nog
steeds de jaarlijkse processie; voor het eerst was dat in 1775. Lobith stond
toen onder Pruisisch bestuur en kon zich in 1817 bij de overgang naar het
Koninkrijk der Nederlanden beroepen op een oud recht.

Reeds tegen het einde van de 19e
eeuw bestond er een Schuttersgilde in Spijk, met George Cornielje als
voorzitter. Deze vereniging ging helaas ter ziele. Op 25 september 1921 werd de
schutterij "Eendracht Maakt Macht"opgericht met als een van de
doelstellingen de Spijkse kermis in goede banen te leiden. E.M.M. heeft een vaste
plaats in de Spijkse gemeenschap verworven en organiseert telkens op de tweede
zondag in augustus de kermis en het schuttersfeest. (13)

Duiven, Groessen en Loo

Als de zomer ten einde loopt,
vieren Duiven, Groessen en Loo kermis en houden hun schuttersfeesten

Uit een kerkrekening van de St.
Remigiusparochie te Duiven blijkt dat de pastoor in 1754 een bedrag van fl.
20,- kreeg, voor het trakteren van de buurtgeestelijken tijdens de
kermiszondag.

Deze priesters assisteerden bij
de plechtigheden in de processie op de laatste zondag in september,
voorafgaande aan het feest van de kerkpatroon, op 1 oktober.

In 1773 kreeg Alfons
Kraijenfanger te Duiven vergunning om gedurende kermis muziek ten gehore te
brengen. Tussen 1780 en 1800  betaalden
de kasteleins elk jaar belasting om tijdens de kermis muziek te laten maken in
hun etablissement op de laatste zondag in september. Daaruit blijkt dat het
straatvermaak kleinschalig was en dat de kermis zich afspeelde in en om de
herbergen en cafés.

Eind september zat het weer niet
altijd mee tijdens de processie. Pastoor-deken Westerman deed op 24 juli 1888
de gemeenteraad van Duiven het verzoek om de kermis een maand vroeger te
vieren,  dus op de laatste zondag van
augustus in plaats van eind september. Dat was zowel voor de boeren als voor de
kerk gunstiger. Het verzoek van de pastoor werd op

25 juli 1888 gehonoreerd; de
kermis werd verschoven naar de laatste zondag in augustus (14).

Op 26 juli 1896 werd de
schuttersvereniging "Onderling Genoegen" in Duiven opgericht, met als
doel "Het geven van feestelijkheden tot veredeling van de genoegen der
kermis te Duiven."

De schutterij herdacht tijdens de
kermis op 26 tot 28 augustus 1906 haar tienjarig bestaan.

Een feestcommissie zorgde voor
volksvermaken op het feestterrein. Op zondag werd er een concert gegeven door
de Fanfare "Excelsior" uit Duiven; er waren toneelvoorstellingen en
als afsluiting een knallend vuurwerk. In de dagen erna  begon 
's morgens om negen uur de schuttersoptocht. Na afloop was er overal bal
tot 's avonds elf uur. (15)

In de jaren twintig van de 20e
eeuw stond de kermis nog langs de Dorpsstraat. Later was dat door toegenomen
verkeersdrukte niet meer mogelijk. Nog steeds houdt de bevolking van Duiven de
processie, de kermis en de schutterij in ere.

In 1545 werd  al kermis in Groessen gehouden. Uit de
belastingformulieren uit de 18e eeuw blijkt dat de herbergiers en caféhouders
muzikanten huurden voor de kermis. Als attracties stonden een paar kramen langs
de straat en traden poppenspelers en andere artiesten op.

Op 17 mei 1915 besloot het
college van B & W van de gemeente Duiven om na de Omdracht in Groessen geen
kramen of inrichtingen van  vermaak toe
te laten. Als argument werden daarbij "de oorlogstoestand en de slechte
economie" genoemd, maar in een uitgesproken katholieke  gemeente zijn kerkelijke motieven daarbij
niet uit te sluiten. Dat blijkt duidelijk uit het verslag van de
raadsvergadering van Duiven van 23 juni 1919, waarbij de leden Nass en
Berendsen  "de wenselijkheid
bepleiten om bij gelegenheid van de Omdracht in Groessen ook enige uit de
gemeente en een draaimolen toe te staan." De burgemeester verklaarde daar
weinig voor te voelen, omdat "de Omdracht meer het karakter behoort te
hebben van een kerkelijk feest (16)"

In de meeste plaatsen in de regio
vond de opening van de kermis plaats na de processie. Een uitzonderling was
Groessen. De jaarlijkse kermis valt op de zondag na 14 september, op het feest
van Kruisverheffing, in de huidige tijd voorafgegaan door het schuttersfeest
met een schuttersmis op de zaterdag.

De Omdracht in Groessen staat
geheel los van de kermis. Er zijn wel eens (vergeefse) pogingen ondernomen om
met de processie in  Groessen tevens
kermisactiviteiten te ontplooien.

De kermisviering in Loo gaat
terug tot de 17e eeuw. Archiefgegevens wijzen uit dat men in Loo al zeer
enthousiast kermis vierde op de zondag na 15 augustus (Maria Hemelvaart). Zo
gooiden op 20 augustus 1799 de dorpelingen van Loo alle remmen los. In de vijf
plaatselijke herbergen heerste 
uitgelaten vrolijkheid. Onder de kermisgasten bevond zich de Pruisische
wervingsofficier Lippold, die meer oog had voor de stoere  boerenkerels dan voor het plezier van de
dorpelingen.,  Hij keek vooral
beroepsmatig naar Jan Willemsen, een 21-jarige grote boerenknecht uit de
buurtschap Husselarij. Jan dronk meer dan goed voor hem was. Het duurde niet
lang of hij kreeg ruzie met een kerel uit een ander dorp. Schout Boldte en zijn
assistenten kwamen toegesneld. Zij maakten een einde aan de vechtpartij,
waarbij Lippold zich van zijn best kant liet zien door Jan ook een handje te
helpen met het uitdelen van klappen. Om zijn dankbaarheid te tonen, nodigde Jan
de wervingsofficier uit tot het drinken van een goed glas wijn "
broeder,"
riep hij Lippold amicaal toe, "ik zal met u gaan en
met u een flesje wijn drinken. En waar gij zijt zal ik ook zijn. Morgen zal ik
bij u in Duiven

De woorden van Jan klonken als
muziek in de oren van de sluwe ronselaar. Samen dronken ze bij Bruins een
stevig glas. Vervolgens liepen ze samen een paar kroegen af. Als oud-feldwebel
in het leger wist schout Boldte, die de officier in de peiling hield, dat
wervers geen handjeklap mochten maken met dronken lieden. De schout was nog
niet vertrokken, of Lippold toverde een contract te voorschijn, dat hij Willemsen
aanreikte alsof het een kostbaar document was. Toevallig zag Winand Geurts, een
dorpsgenoot van Jan, dat gebeuren. Resoluut pakte hij hem bij zijn arm en
sleurde hem het café uit en bracht hem naar huis. Lippold ving bot. Later kon
Jan zich niets van het voorval op de Loose kermis herinneren (17).

Velen uit de omgeving komen naar
Loo voor de schuttersmis, de processie en de kermis.

Centraal in het verenigingsleven staat
sinds 1921 de schutterij "Willem Tell", die de kermis luister bijzet.
De slogan luidt in het dorp: Loo is Loo en Loo blijft Loo.

Zevenaar

Al in de 17e eeuw namen de
Zevenaarders deel aan de processie en hielden kermis.

Al in de 17e eeuw namen
Zevenaarders deel aan de processie en hielden kermis. Nog steeds kan men in
Zevenaar, Oud-Zevenaar, Ooij en Babberich kermisvieren. Alleen de Sint
Martinusparochie te Oud-Zevenaar houdt nog een processie, tegelijk me6t de
kermis.

Sinds 1971 is de processie
verdwenen uit het stadsbeeld van Zevenaar.

In Zevenaar kende men jaarlijks
twee processies: een op Sacramentsdag (tien dagen na Pinksteren.) en een op de
eerste zondag na 29 juni (Petrus en Paulus). De processie op Sacramentsdag
werd  de Kleine Kermis genoemd. Zevenaar
was de enige plaats die op een "doordeweekse zondag" kermisvermaak
had. In 1600 trok de kerkmeester 36 stuivers uit voor traktatie met de kermis;
in 1615 liepen enige muzikanten op Sacramentsdag in de processie mee en traden
tijdens de kermis op. (18)

Het stadsbestuur hield zich in de
17e eeuw niet afzijdig van processie en kermis en droeg bij in de kosten. Uit
de stadsrekeningen van 1670: "Die portiers so op heilig Sacramentsdagh
als oick op kermis die processionen bijgewoont, verteert ten huise van Jacob
Everwin, waarbij ingetage enigh witt bier".

De magistraat liet al in 1636
kermisdata opnemen in de Deventer-Almanak, in de hoop veel volk aan te trekken.
Behalve het stadsbestuur waren ook de kerkdienaren nauw betrokken bij de
processie en kermis.

De magistraat liep sinds het
begin van de 18e eeuw niet meer officieel mee met de processie, die een
kerkelijke aangelegenheid werd. De kerk keurde de kermis niet af zoals op veel
plaatsen gebeurde. De kerkrekeningen van de St. Andreasparochie bevatten elk
jaar een uitgave van de pastoor voor een anker wijn, om tijdens de kermis, na
afloop van de processie, de buurtgeestelijken, de koorzangers, broedermeesters
en muzikanten te kunnen trakteren. Bovendien kreeg de gendarmerie in 1812 fl.
10,- uitbetaald voor de assistentie tijdens de processie. Op Sacramentsdag in
1814 ontving de Pruisische Wacht 3 Thaler voor eerbetoon aan de kerkeli8jke
stoet met Ons Heer.

Nadat de Liemers in 1816 bij het
Koninkrijk der Nederlanden was gevoegd en de gemeente Zevenaar ontstond, ging
het bestuur zich ook bezighouden met de kermis. Naar aanleiding van een schrijven
van Provinciale Staten van Gelderland, van 9 juni 1847, over jaarmarkten en
kermissen schreef de Zevenaarse raad: "Dat in een groot deel, ja in het
voornaamste deel de verteringen waartoe de beide kermissen zo te Zevenaar als
te Oud-Zevenaar aanleiding geven, gedragen worden door den meer gegoeden
middenstand en een klein gedeelte slechts

door de minder gegoeden. Dat
het niet houden dezer beide kermissen den aangewezen middenstand van een
genoegen zoude beroven waaraan dezelve in deze gemeente nogal gehecht is. Dat
ook de neringdoenden daardoor van voordelen verstoken zouden blijven, zonder
dat men kan zeggen, dat het belang der Gemeente dit vordert. Heeft besloten:
Als deszelfs gevoelen kenbaar te maken, dat gene overwegende gronden bestaan,
om voor dit jaar in deze Gemeente het houden der Kermis te verbieden".

In verband met de runderpest in
1866 werd de kermis in dat jaar verboden; vanwege een pokkenepidemie werden in
1882 en 1888 kermisexploitanten van buiten de gemeente niet toegelaten.

Het politieverslag van 16 juli
1901 vermeldde slecht twee processen verbaal wegens dronkenschap op de kermis.
Dat is erg weinig voor de grootste kermis van de regio.

In 1907 stond op het Marktplein een
draaimolen van de heer W.F. Reuvekamp uit Zutphen en op  het Grieth een stoomcarrousel van de heer
Vincken uit Roermond, een "Bioscope of Cinematograph" van Jan Smet
uit  Den Bosch, een torpedoschommel van
C.M. Vermeulen uit Amsterdam en een danssalon van Frans de Smet uit Roermond.

In 1906 werd de
Schuttersvereniging "St. Andreas" opgericht om "de
volksvermaken te veredelen en de eendrachtige samenwerking tussen de
ingezetenen van Grieth en Zevenaar te bevorderen."
Tijdens de kermis
werden een kerkdienst, een optocht en wedstrijden gehouden.

Burgemeester en Wethouders stelden
in 1912 aan de gemeenteraad voor om de Kleine Kermis af te schaffen. Het
voorstel wierp heftige discussies op, maar de kermis op Sacramentsdag bleef tot
1934 bestaan. In het algemeen kwamen volgens raadsverslagen geen ongeregeldheden
van betekenis voor.

De gemeenteraad besloot in 1915,
als goed voorbeeld van bezuiniging, geen kermis te laten houden. Eerst in 1917
verschenen de kermisklanten weer in het stadje.

De Zevenaarse kermis was bij
kermisexploitanten gewild. De inkomsten waren zeer goed.

De gemeenteraad stelde in 1939
voor "om de kermisvermakelijkheden 's avonds langer open te houden, want
de attracties op 't Grieth zijn steeds indrukwekkend en uitdagend" (19).

Voor de Zevenaarders, die na 1960
van elders kwamen, is de kermis een lunapark zonder betekenis voor de
woonwijken geworden. Een volksfeest verdween helaas.

Oud-Zevenaar en Ooij

In de Oud-Zevenaarse en Ooijse
gemeenschap neemt 24 juni, de feestdag van St. Jan, een speciale plaats in. Op
de zondag voor die datum wordt de jaarlijkse processie, de kermis en het
schuttersfeest gehouden.

Al in 1853 werd buiten het
kerkhof op het feest der kerkwijding of kermis, dat is op de zondag voor  St. Jan de Doper, een plechtige processie
gehouden. De kermisvermakelijkheden stonden eeuwenlang bij de St. Martinuskerk
naast de cafés opgesteld.

Tot ongeveer 1800 hielden de
jonggezellenschutterij van Babberich en Ooij tijdens de kermisdagen het
schuttersfeest bij hun eigen buurtcafés. Nog steeds staan in Oud-Zevenaar de
kerk en de kroeg dicht  bij elkaar.

In de kerkrekeningen van 1775 is
te volgen hoe de Oud-Zevenaarse van 
kerkmis tot kerkmis verwaterde. Hand- en spandiensten tijdens de
processie werden beloond. De mannen die de vier rustaltaren hadden neergezet,
werden tijdens de kermis getrakteerd op foezel (jenever). Op 22 juni 1783
kregen de vier vaandeldragers en de mannen die de klokken tijdens de processie
lieten beieren 3 oort foezel en een kermiskoek aangeboden. Na de afloop van de
processie in 1779 konden de bruidjes in café "De Pelikaan" twee kannen
bier op rekening van de kerk consumeren. De Ooijse en Babberichse jonge
schutters lieten zich tijdens de processie en kermis duidelijk horen. Toen in
1807 de Liemers deel ging uitmaken van het groothertogdom Bergh kwam de
volgende verordening van het Ministerie te Düsseldorf: "Die vorige
Regierung hatte zwar dem in dem Bergische Lande eingegriffen misbrauch beij
Kirchweihen, öffentlichen Prozesssionen und andern Feierlichkeiten, die
Kirchen, Straszen und Häuser zumal die Wirtshäusern mit Heisteren und Maijen zu
schmucken, die Processionen im Aufzugen von jungen Bürger mit Schieszgewehren,
in lächerlichen Verkleidungen, mit bunten Röcken, Tressen, Bändern und
Federbuschen zu begeleiten und zu schiessen, durch mehrere Verordnungen
verboten."

Familieleden en kennissen trokken
eeuwenlang uit de verre omtrek massaal naar de kerk, niet  alleen om met de processie mee te lopen, maar
ook om te genieten van kunstenmakers, acrobaten en waarzeggers. Zij kochten
prullaria en koeken bij allerlei kramen; het was een soort jaarmarkt.

In 1848 kreeg de gemeentebode een
schorsing van een paar weken, omdat hij op de Oud-Zevenaarse  kermis staan- en plaatsgeld had geïnd; dat
was hem uitdrukkelijk verboden.

In de 19e eeuw waren de
maatregelen om drankmisbruik en andere liederlijkheden tegen te gaan
voornamelijk repressief. Kerkelijke en plaatselijke overheden vaardigden
verboden en sancties uit. Initiatieven ontbraken echter om paal en perk te
stellen aan agressief of onberekenbaar gedrag.

In de Zevenaarse
gemeenteraadsverslagen werd in de 19e eeuw steeds gewezen op zedelijkheid en
gezondheid. Het drankmisbruik, vooral tijdens de kermissen, was een
voortdurende bron van zorg. Maatregelen werden onvoldoende genomen om misbruik
tegen te gaan, zeker niet vóór 1881 toen drankvergunningen werden verleend. De
toeloop van vreemden had mede invloed op fikse ruzies en veten, die werden
vereffend.

Het bestaande St. Annagilde in
Oud-Zevenaar nam omstreeks 1873 het initiatief om een schutterij op te richten,
om onder meer, zoals bijna overal elders in de Liemers, de kermis naar behoren
te reguleren. Zij kon rekenen op de steun van kerkelijke en wereldlijke
gezagdragers.

De Post berichte op 17 juni 1906
dat "na afloop van de processie de Oud-Zevenaarse kermis werd geopend.
Daar deze echter op meerdere plaatsen van de uitgestrekte parochie (Babberich,

Oud-Zevenaar en Ooij) gevierd
werd, was het kermismateriaal schraal aanwezig. Dit gemis werd dan ook pijnlijk
gevoeld door de lieve jeugd, daar de ouderen meestal waren ingedeeld bij een
van de drie  schuttersverenigingen."

In 1908 schreef De Post dat veel
moedes en kinderen tijdens de kermisdagen de speelgoed- en

koekkramen hadden bezocht. Voor
de jongelui waren enkele krachtspelen bij de Oud-Zevenaarse kerk. Verder
bezochten voornamelijk jongelui de mallemolen bij Gepkens - waar de Schutterij
St. Anna was ondergebracht - aan de Zwanenwaai in Babberich.

Gepkens had in 1907 een vaste
stenen danstent laten bouwen en op zijn erf werden al jaren
kermisvermakelijkheden opgesteld. Vanwege de tamelijk hoge drankprijzen en
zaalhuur verhuisde de schutterij in 1926 en betrok een eigen onderkomen aan de
Babberichseweg.

Vanzelfsprekend trok de kermis
mee.

Tot op heden is er nog steeds een
schuttersfeest met kermis bij het schuttersgebouw van St. Anna. Het feest verloop
zonder wanklank en in een prettige stemming, terwijl elk jaar weer verloren
gegane vriendschapsbanden worden aangehaald. (20)

De buurtschap Ooij formeerde op
het eind van de 19e eeuw een eigen schutterij en ging tevens de kermis
organiseren. Voordien was dat laatste een zaak van de plaatselijke caféhouders.
Ruzies op de Ooijse kermis of in cafés waren vaste prik.

Op 20 juni 1883 vroeg Antoon
Wittenhorst te Ooij een vergunning aan bij de gemeente tot het spelen van
dansmuziek in de bovenzaal van zijn etablissement, ook wel "Hof van
Gelria" genoemd en gelegen aan de Pannerdenseweg. Omstreeks het eind van
de 19e eeuw kreeg kroegbaas Wittenhorst met een aantal mensen uit Ooij een
woordwisseling. Om zijn gelijk kracht bij te zetten, riep hij hulp in van de
muzikanten, afkomstig van het 56ste Regiment Infanterie, dat te Kleef in
garnizoen lag. De militairen gaven gretig gevolg aan het verzoek van de tapper.
Dergelijke toestanden waren zeer ongewenst. daarom organiseerde de schutterij
in later tijd wedstrijden en volksspelen en stelde kermisattracties op bij café
Van Uum in Ooij.

Het volk kon van hartelust in de
veranda dansen.

In 1894 werd in Ooij een
"Schutterij en Ringrijdersvereniging Eendracht Maakt Macht"
opgericht. Het doel was simpel "ieder jaar tijdens de Oud-Zevenaarse
kermis een feest te organiseren bestaande uit het houden van een optocht,
schieten en ringrijden om prijzen."

Het bestuur van de schutterij
E.M.M. kreeg een geschil met de kastelein en besloot het beheer van de kermis
over re nemen. Sinds 1920 staan de kermisattracties opgesteld aan de
Slenterweg, naast het schuttersgebouw, dat eind 1999 geheel vernieuwd is.

Na de plechtige processie in
Oud-Zevenaar wordt de kermis geopend en bezoeken de schutters en inwoners van
het dorp als van Ooij het stamcafé bij de kerk. Daar klinkt de echo van de
Egerländermuziek tegen de dijkhelling en de biertap staat geen minuut stil. En
zoals ze daar zeggen: "met de Oldzenderse kermis was het geheid altiet
dreug weer en soms gleuend heit en dan hiengen ze daor met de been uut en
moeder thuus maor wachten met koldenschöttel, heite soep en eigegemaakte
pudding met rooie bèèssensaus."

Nadat in Oud-Zevenaar een
schuttersvereniging was gekomen, meenden de Babberichsen dat zij niet achter
konden blijven. In 1874 werd de schutterij "Gilde St. Jan Babberich"
opgericht met als één der doelen het beteugelen van drankmisbruik en ruzies. De
kermis met attracties en kramen trekt jaar op jaar veel publiek uit Didam, Beek
en Elten. Omstreeks 20 juni werd elk jaar een linnen ronde tent bij de laan van
de havezate Halsaf opgezet, die ook eens de jongelui uit Babberich scheef werd
getrokken. De tapper in de linnen tent was Jan Freriks uit de Sleeg. Een
draaimolen van de weduwe Sluter uit Pannerden, de koekkraam van Schepers te Didam,
de Kop van Jut en schiettent van Van Emden verhoogden de feestvreugde.

In 1922 kreeg het Gilde St. Jan
de beschikking over een eigen schuttersgebouw nabij de kloosterkerk, waar ook
de kermiskramen stonden. Bart Florissen, een van de piassen bij de schutterij
had weinig geld voor drank en dronk dan maar gratis het lekbier aan de tapkast.
Als de schutterij uittrok was hij zo zat als 
een Maleier.Tijdens de kermisdagen van 1935 stonden in een bongerdje
tegenover het schuttersgebouw een luchtschommel en een zweefmolen. Een
mallemolen, aangedreven door een paard, stond naast een transformatorhuisje
tegenover café Sint Annaburcht. Langs de Beekseweg, voor  het klooster, stonden een rijtje kramen met
speelgoed, snoep en koek en een ijscowagende  Liefhebbers konden zich uitleven bij een
schiet- of een werptent en een lijnentent (trek maar aan touwtje voor een
dubbeltje),

Eind augustus 1939 werd het werd
het schuttersgebouw gevorderd door Nederlandse militairen van het 22 regiment
grenstroepen. De militaire autoriteiten maakten op 1 mei 1940 bezwaar tegen
kermisattracties die op het terrein bij het schuttersgebouw geplaatst zouden
worden, nabij militaire objecten. De kermis te Babberich zou dat jaar worden
verplaatst naar het terrein bij Gepkens aan de Zwanenwaai. Zover kwam het
echter niet, want op 10 mei 1940 raakte Nederland in oorlog met Duitsland.
Tijdens de oorlog waren er nog wel een paar kermisattracties te vinden maar
echt feestvieren was er niet bij (21). Na
1945, na de bevrijding, werd het schuttersfeest verplaatst naar de eerste
zondag in september en daar kwamen de kermisexploitanten op af.

De Babberichse kermis heeft nog
steeds over belangstelling niet te klagen.

Elten

In 1338 werd voor het eerst in de
annalen van het Stift Elten de St. Vitusmarkt vermeld. Vermoedelijk is deze
jaarmarkt al in de 9e eeuw ingesteld door Friese handelaren (22). Van 10 tot en met 23 juni hield men deze,
ook wel "dertiendag"genoemd, in de straten van Elten. Aansluitend
werd op 24 juni, St. Jansdag, een volksfeest dat kermis werd genoemd, gehouden
met veel muzikanten, zangers, bedelaars, kooplieden, marskramers,
wonderdokters, kwakzalvers, goochelaars en clowns. De "dertiendag" en
de kermis trokken veel mensen uit de omgeving aan. Zij lieten zich het zware
Eltense bier tijdens deze zomerse uitgaansdagen goed smaken met alle gevolgen
van dien.

In het archief van het Stift zijn
in de processtukken beschrijvingen te vinden over gewelddadigheden tijdens de
Vitusmarkt, niet alleen door "kleine lui" maar ook door "fijne
lui",

onder wie vooraanstaande
personen. (23). Napoleon hief in 1811 het
Stift met zijn immuniteit op;

de Eltense- kermis werd verboden.
Na de nederlaag van Napoleon kwam de Eltense kermis  weer in volle luister terug.

De St. Martinusparochie van
Neder-Elten gebruikte de kermis om haar kerkwijding te gedenken en vierde dat
op de eerste zondag in oktober met aansluitend de maandag en dinsdag.

Hoog-Elten behield nog een eigen
kermis, althans in 1908, op de eerste zondag in september.

De kermis heeft als vermaak sinds
jaar en dag in een behoefte voorzien. Maar het bezoek aan de terreinen vol geur
en lawaai wordt minder, hoewel nog elk jaar zo'n duizend families met
kermiswagens de boer op gaan om op ongeveer 2500 Nederlandse locaties hun
attracties op te zetten, ondanks de sterk stijgende belastingen en verdere
kosten.Voor de Liemers geldt dat zonder schutterij er geen kermis meer zou
zijn.

Met dank aan de heren G.B.
Janssen, J. Th. M. Giesen en de Nederlandse Kermisbond.

 

LITERATUUR

Haan,T.W.R. de, Huilen op de
kermis, Utrecht/Antwerpen, 1965.

Jansen, G.H., Een Roes van
vrijheid. Kermis in Nederland, Meppel/Amsterdam, 1987.

Keikes, H.W., Kermissen en
circussen in beeld tot 1940, Zaltbommel 1978.

Kermis, een volksvermaak in de
schijnwerpers, Volkscultuur 5(1988)2, 1-122 (themanummer).

Rooijen, M. van, Handel
& wandel. Shelljournaal van markten en kermissen, Den Haag, 1985.

Vroon, H.J., Kerkmis en
kermis, Driebergen, 1984.

NOTEN

1 Vroom, 1984, blz. 67-80.

2 De Liemers, extra uitgave
Didamse kermis, oktober 1955.

3 De Liemers van Nol
Tinneveld, Nijmegen, 1984.                                                                            

4 Jansen G.B. Kermis en
schutterijen in de gemeente Rijnwaarden, 1990 (rapport).

5 Oud-Archief Zevenaar inv.
nr. 1335.

6 Rijksarchief Gelderland
inv.nr. 390, nr. O143.

7 RAG, inv.nr. 2519.

8 Diesveld, J., Narus van
Veen, Enschede, 1974.

9 Petersen, J.W. van, en
J.Th. M. Giesen, A.B.C. Oud Wehl, 1987.

10 Dalen, A.G. van,
Westervoort in de vaart der Nederlandse 
historie.

11 Bij de Tijd 1(1984)
nr.1; Westervoort Postij de Tijd 1(1+8

e  hi rvoort in de n de
gemeente Rijnwaarden, 1990 (rapport)., 2 oktober 1966.

12 Breuking, J.H., en G.B.
Janssen, Kerk en kermis te Herwen en Aerdt, 1980

13  Janssen, G.B., De Parochiegemeenschap van de
H. Gerardus Majella te Spijk.

14 Gemeente Archief Duiven.
inv. nr. 135, ingekomen stukken.

15 Onderling Genoegen,
Duiven, feestgids 1906.

16 Staring, F. Processie in
Groessen, Driepas 10(1993) augustus.

17 Oud Archief Zevenaar,
inv. nrs. 277, 680, 743, 842 en 1228

18 Nieuw Archief Zevenaar,
Brieven B & W en raadsnotulen.

19 Goossen, Th.J.G.
Schuttersvereniging St. Anna Oud-Zevenaar, 1998.

20 Goossen, Th.J.G., Land,
volk, gilde en schutterij Ooij, Zevenaar.

21Goossen, Th.J.G. Het
gilde van Babberich, tussen kerk en kroeg, 1974

    ( In 
afleveringen verschenen in de Liemers Lantaern.)

22 Gies, L. Elten, Land und
Leute, Emmerich, 1951

23 Axmacher-Köster, Elten
die letzten 100 jaar, 1899-1997, Elten, 1997.


e liemers