Buurschappen, gilden en schutterijen in Didam

02-01-2015 21:15
Buurschappen, gilden en schutterijen in  Didam.
Door Theo J.G. Goossen, Zevenaar.

Buurschappen en gilden.
Van zeer oude oorsprong zijn de gilden in Didam. De gilden kunnen niet ouder zijn geweest dan de buurschappen in hun kwaliteit van schappen van buren. Onder de termen ”buurschap” worden al vroeg georganiseerde eenheden van plaatselijke gemeenschappen vermeld. De term in zijn oorspronkelijke betekenis, spreekt de aard uit: een ”schap” of belangenorganisatie van ingezetenen, die binnen een bepaald lokaal grondgebied samen ”boeren” ofwel leven en hun land bewerken en de onderlinge plichten en rechten regelden.
Veel aantekeningen over de oude gilden zijn ons niet bewaard gebleven. In het huisarchief van Huis Bergh bevindt zich noch een accijnsbrief uit 1420, dat voor het gilde van Loil een drankbelasting vermeldt voor het tappen van gildebier. In die tijd zien we de gilden bezig met handhaving en regeling van het gebruik van de gemeenschappelijke gronden door de ”gemeynte”, d.w.z. de burengemeenschap. Maar dat is dan niet zo héél veel meer. Het zijn meest wat meer of minder brede groene dreven, waarover karsporen van de buurtwegen liepen, wat groenstroken langs waterlopen, hier en daar wat woest of moerassig land en op de hoge zandgronden heidevelden. Bij elkaar restanten van wat het vroeger geweest was, namelijk grote uitgestrektheden aan wilde broeklanden, groengronden en aan bossen. Het meeste van deze gronden was in handen gekomen van grote heren, rijke burgers, grote boeren, allen bij elkaar geërfden genoemd. Zij hadden de broeklanden in ontginning gebracht. Uit dezelfde kringen kwamen de geërfdengenootschappen voort, marken geheten, die zich als hun gemeenschappelijk bezit meester maakten van bossen en weilanden op de groengronden.
De voortschrijdende ontginningen hadden de massa’s van kleine boeren in nood gebracht.
Zij immers zagen zich in toenemende mate beroofd van vrije beweiding en mogelijkheden tot het hoeden van vee, die zij nodig hadden, om hun koeien e.d. in goede evenredigheid met een gezonde akkerbouw te houden.
Ontginnen op enige schaal kon alleen hij, die economisch sterk genoeg was, om de aanloopperiode uit te zingen. Een ontginning vereiste de eerste vijf à tien jaren, misschien nog langer, een investering, die kleine boeren niet op konden brengen.
Gezien het feit, dat in die tijd de plattelandsbevolking over weinig contant geld beschikte, werd een geldschieter gezocht. Deze kreeg dan als onderpand grond. Dit ”verpanden” van goederen kwam zeer veel voor. Het garandeerde de schuldeiser dat hij zijn geld terug zou krijgen, tenzij de schuldenaar zo armlastig was dat hij zijn pand niet meer kon inlossen.
13 September 1473 gaf Aelt Mom, richter te Didam, namens Oswald, heer van den Bergh, in een open brief er kennis van, dat ter rechtszitting waren gekomen Roloff Mom, Henrich van Lennep, Joergen van Lennep, Wennersson, Johan van Honepel, Bernt van Elze, Mais Snoij, Peter van Baerll, Arnt Snepers, Wessel van Waldenbergh, Gert van Lennep, Henrixson, Mant en Johan Kreijenvenger, gebroeders. Genoemde personen bekennen dat voor hen en hun gezinnen Werner Coster, gildemeester c.q. buurmeester, met instemming van de graaf van den Bergh verpand had de gemeente, gelegen in de parochie van Didam in de buurschap van Kerkwijk. De verpande gemeente besloeg een oppervlakte van 5 morgen. Het gilde hield het recht om binnen veertien jaar het pandbeslag af te lossen, anders ging de grond in eigendom over naar de graaf van den Bergh. (AHB Nr.745)
In 1465 vindt men vermeldt de Bergslach, naast de ”Gemeint” aan de weg naar Zevenaar.
Op het einde van de 16de en begin 17de eeuw worden, tengevolge van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) veel gemeenten verpand.
Aerndt van Woldenborgh, richter te Didam, verklaart, dat Gerrit Kreijfenger en Evert Thuis, huislieden te Didam, namens de gemeente verpanden aan Jan Bouman en diens vrouw Ermken het land ”de Fluijn” in Waverlo. (AHB 3676)

De Didamse   buurschappen.
Langs de noordkant van het Waverlobos ontstond, omstreeks 1100, de buurschap Waverlo. Ze telde omstreeks 1400 nog maar 10 à 15 gebouwen o.a. het kasteel (de Meurs), de molen, de Haag, Dijk, het Hagedoorntje, de Buurboom, de Fluunse hof, de Papenhofstede, de Bentemerhof en Boskamp.
Het schijnt dat om het Waverlobos op plaatsen waar sloten in de zomer geen water hielden een wal heeft gelegen, beplant met hagedoorn, om te voorkomen dat varkens en paarden er uit konden ontsnappen.
In de markenboeken wordt meermalen gesproken over vergaderingen ”an den dick”; het huis Dijk lag ”voir den Diick” (Register op de leenen van het huis Bergh); tegenover de Haag lag de Slottendijk. Aan deze wal zal het huis Dijk haar naam wel danken. Zelfs werd vanaf de 15de eeuw de buurschap steeds meer Dijk genoemd, totdat de oude naam Waverlo uiteindelijk geheel verdween.
Het buurschap Tesma verdwijnt na 1500 uit de archiefstukken.
Op de grens van het Loler- en Milsterholt (of Diemerbos) ontstond de buurschap Holthuizen als lintbebouwing langs de Holthuizenseweg. Er behoorden enkele boerderijen toe, eigendom van grootgrondbezitters. De meeste huizen waren geringe woninkjes gebouwd op kleine stukjes grond van de bosmarken. Men noemde ze ”merkten” of  ”hutten”.
Langs de randen van de markenbossen, maar nog op markengrond gelegen, stonden in 1700 bij de verdeling van de bossen samen 24 ”merkten”. Ze waren er gebouwd tegen de wil van de aandeelhouders van de bossen.
Soms werd met toestemming van het gilde op de gemeinte gebouwd. ”Aan Berent Hendrixe wordt op 24 november 1732 door de graaf vergund een ”huijsje ofte hutje” op de gemeente te Didam te bouwen. Onder voorwaarde ”dat daervan het behoorlijcke roockhoen jaerlix sal betaelen de gewoonlijcke diensten doen”. En aen ons sal vrijstaen het op de minste klacht af te doen breken”. (AHB 1182 fol. 224).
6 Augustus 1743 werd een voorstel gedaan om een armenjager aan te stellen.
De Diemse Hei maakte een geheel uit met de Weelse-, de Beekse-, de Babberichse- en de Eltense Hei.
Op de ervendag van de Didamse geërfden, gehouden in 1707, beloofde de richter om Didam van de overlast van de ”heidenen” te bevrijden. (Geërfdenboek). Misschien hadden die zich in de Diemse Hei tijdelijk gevestigd. Deze ”heidenen” waren rondtrekkende zigeuners, die in de 17de en de 18de eeuw in Gelderland nergens geduld werden.
Omtrent de zogenaamde Bolken Hut en de afgegraven grond, werd op 21 oktober 1793 besloten, dat de heer Drossaerd de weduwe zal gaan opleggen om in het vervolg daarvan een schelling jaarlijks te betalen voor haar leven lang.
In 1793 klaagden de geërfden over de hutten die zonder vergunning op de hei waren gebouwd door minvermogende Didammers en vreemdelingen. De vergadering besloot toen om deze woningen af te breken. Dat besluit schijnt echter niet uitgevoerd te zijn, want in 1833 (Gemeentearchief Didam) nam het gemeentebestuur het besluit om de hei te verkopen, omdat mensen uit Didam en omgeving er hutten op bouwden, waardoor het aantal hutten en armen schrikbarend toenam. De heidebewoners vormden een gesloten gemeenschap en hadden te weinig contact met de andere buurschappen, omdat ze er ver vanaf woonden en sommigen vreemdelingen waren met afwijkende levensstijl. (Tinneveld, A : Toponymie van Didam)
Veel Didammers waren gedwongen om hun gezin van het allernoodzakelijkste te voorzien door te gaan bedelen, en vooral mensen van de Hei. Voornamelijk vrouwen en kinderen namen de bedelstaf ter hand. Op die zwerftochten werden sommigen gearresteerd en kwamen vervolgens in Ommerschans terecht.


Het bouwland.
Bij elke Didamse buurschap lag een veld d.w.z. een aaneengesloten complex bouwland, dat tegen loslopend vee was omheind. De percelen van een veld behoorden niet alleen tot boerderijen uit één buurschap; door vererving en verkoop kwamen ze steeds meer in handen van bewoners uit andere buurschappen en vooral van niet-Didammers.
Het beheer van het veld zal wel in handen geweest zijn van hen, die er percelen in eigendom of gebruik hadden. De buurschap hield toezicht op de omheining en schutte het vee dat er door brak. Dit vermeldt een proces, dat in 1654 en volgende jaren liep voor het hof van Gelderland (RAA , Archief van der Heyden van Baak, nr.146). De ”gemeine” straat dwars door Greffelkamp werd door de gemeente ”met beesten en andersinds gebruyckt”. De straat ”is affgevracht van een ieder so syn lant daer langs off aen heeft liggen ende genoemt de hooffvracht van het selve velt”. In een oostelijk deel van dit veld lag een stuk slecht weiland, dat apart door een omheining omringd was.
In 1654 ontstonden over deze ”vracht” moeilijkheden. Jonker Hans Conrad Beringen legde Gerard Scheerder en Jan Polman boeten op, omdat ze de afrastering langs de Hoevert niet in orde hadden. De delinquenten kregen direct steun van de graaf van den Bergh en van ”Bernt van Voorst en Engelbert van Waldenburgh als geërfden inde Graefflicke  buerschap kemp ende caverende voor deselver mede geërfde aldaer”. De verweerders betoogden dat de eigenaar van de Luynhorst (Jr. H. C. Beringen) erfboerrichter  was van de Graefflicke kemp,” doch niet over de ”olde maete in Grafflijckemper broeck” gelegen en ook niet over de Wetering. Hij mocht met de onderbuurrichters (na de vereiste kerkenspraak) alleen de ”hoofvracht” schouwen, doch niet de binnenvracht van de Biesensomp. Daar mocht alleen geschouwd worden op verzoek van de partijen.
2 April 1656 verklaarden de ”onderbuurrichters van kerckdorp, Loel, Holthuysen en Waverloe” dat de velden in hun buurschappen op dezelfde wijze geschouwd werden. De omheining schijnt ook wel bestaan te hebben uit een haag. In de stukken betreffende een gerechtszaak uit 1669 vernemen we dat de jager Beringen was ”geretireerd in het vaergat van de dichte hegge op het veldt” (van het kerkdorp) (AHB nr. 3327) In 1663  (AHB nr. 3325) heet het: de velden in Didam liggen merendeels in, tussen en langs de bossen.
De graaf van den Bergh gelaste op 8 juli 1658 de stadhouder van Didam, dat hij niemand zal toelaten schapen te houden en in de velden of bossen te drijven, dan alleen zij die van oudsher daartoe wettelijk zijn gerechtigd. (AHB 1175 pag. 435) Ieder die hiertegen handelt verbeurt 25 gld. voor elke keer en elke kudde. Degene, die schapen aantreft op zijn eigen land, die daar niet mogen komen, zal deze mogen doodslaan.
Oorspronkelijk schijnt men de complexen bouwland van een buurschap ”enk” genoemd te hebben. Dat blijkt uit de boerderijnamen Overenk en de bloknaam ”den Enk”
Het kerspel Didam telde de volgende velden: Waverloveld (1370), Kirckwickerveld (1370), Grefflickhemervelt (1494), Loelrevelt (1325), Holthuservelt, Schaedwickervelde (1346).
In Didam blijken omtrent 1700 de oude buurschapsorganisaties niet meer bestaan. Als namelijk de heer van de Hees, Thomas Walraven van Ypelaer, hier een proces voert omtrent zijn rechten op het boerrichterschap in Waverlo, getuigen verschillende mensen, dat deze buurschap altijd wel iets aparts heeft gehad, doch zij weten niet waarom dit zo was. (AHB Inv. no. 3476). De oorzaak van het verdwijnen der buurschaporganisaties zal wel gezocht moeten worden in de onbeduidendheid van de nog overgebleven gemene beweiding. Men had hier maar heel weinig gronden, die als gemener veedriften dienden. De Diemse heide was er nog, behorende tot het territoir van de onbeduidende buurschap Holthuizen. Deze heide werd stellig door heel Didam als gemeenschappelijke veedrift gebruikt. Dit vereiste geen afzonderlijke buurschapsorganisatie meer, omdat ze tot gemeen gebruik voor allen diende.


Gildebroeders en schutters.
Over de schuttersgilden of schutterijen of ook wel schutten genoemd, (de termen worden door elkaar gebruikt) bestaat een omvangrijke literatuur. Zij geeft ons een indruk van het ontstaan en functioneren van de schuttersgilden en verschaft de achtergronden, waartegen wij de schuttersgilden van Didam dienen te plaatsen.
De naam ”schutten”, waarvan schutter(s) is afgeleid, is voor het eerst in het jaar 1159 vermeld bij de Vlamingen. Schutterijen waren vroeger een algemene aanduiding voor wapendragende korpsen. In de steden waren de schutters in dienst van de stad en vormden als zodanig een stadsleger. De steden bepaalden zelf de organisatie van hun schutterij.
Op het platteland waren de schutterijen veel meer vrijkorpsen, die hun wapens zelf aanschaften en onderhielden. Deze vrijkorpsen konden in het geval van noodzaak aangevuld worden door zogenaamde schutten, d.w.z. met alle mannelijke inwoners tussen 18 en 60 jaar, die met knuppels, rieken, zeisen, enz. waren bewapend. Ambachtslieden hadden hier en daar, het meest in de steden, ook schutters in dienst om hun producten tijdens de transporten te laten bewaken.
De schuttersgilden werden op het platteland gevormd uit de buurtschappen. In Didam rekende men als buurschap: Loil, Kerkwijk (dorp) en Waverlo (den Dijk). De buurschappen traden op als ”semtelijcke gemeynt tho Diedam”, dus voor het hele kerspel. De weerbare mannen uit zo’n buurt voegden zich samen en zo kon de kleine geografisch beperkte gemeenschap officieel worden beschermd. En die bescherming gold tegen alle aanslagen op have en goed, zowel door landlopers, plunderende soldaten en brandstichters, als bij brand, watersnood en dijkdoorbraken.
In 1578, toen de Diamse erven besloten de Landeweer verder ”tho dijcken”, de Wetering tot de grond uit te graven en om bij ”Klockenslach die van Diedam, Babberich und Holthuis” op te roepen ”het Beecksche waiter af te dycken” (AHB nr. 1791)

Pandbeslag op de gildegronden.
Dorpen zij voor hun welvaart in de eerste plaats aangewezen op akker- en weidebouw. Nu geldt voor boeren in akker- en weidebouw zeker, dat zij in tijd van oorlog de neergang geducht moeten hebben gevoeld. De logische gevolgtrekking is dat de boeren er op achteruit gingen. Zij werden pachters in plaats van eigenaar. Wij twijfelen niet meer wanneer de bronnen die conclusie bevestigen, zoals een pamflet uit 1608: ”Siet om de frontieren, hoe de landen bedorven ende verlopen zijn van weerssijden. Siet, oock  hier in Liemersch, hoe menich huysman van zijn wooninghe moet ruijmen ofte tenminste deselve vercoopen ende weer inhuijren. Siet oock wat volck datse coopen, ofse niet veelal door desen oorloch rijck sijn geworden”. In dorpen en buurtschappen stonden de ruïnes van verlaten huizen; de akkers lagen onbewerkt en verwaarloosd en de weiden waren verwilderd

Het was eertijds gebruikelijk een veroverde streek te brandschatten. Wilde men voorkomen dat alles werd geplunderd en platgebrand, dan moest een afkoopsom worden opgebracht. Gezien het feit, dat in die tijd de plattelandsbevolking over weinig contant geld beschikte, werd een geldschieter gezocht. Deze kreeg dan als onderpand alle gronden in de betreffende streek. Dit ”verpanden” van goederen kwam zeer veel voor. Het garandeerde de schuldeiser dat hij zijn geld terug zou krijgen, tenzij de schuldenaar zo armlastig was dat hij zijn pand niet meer kon inlossen.
Van alle kanten werd het volk uitgemergeld. De bezetter eisten contributies. Dat was oorlogspraktijk. Er werd een vaste maandelijkse bijdrage per morgen land vastgesteld.
Als gemachtigden van de ”semtelycke gemeynt tho Diedam” sloten de Didamse huislieden Gerrit Kreyfenger en Evert Thuys in 1581 drie contracten af en in 1582 één. Zij verpanden toen voor 25 jaar: de Fluyn, een Waverlo merck, twee stukken van Waverlo mark en een hofstede langs Minsterholt op Diedamer merck. De verpanding geschiedde door het kerspel en de opbrengst was bestemd voor het kerspel (AHB nrs 3676,3693,3711,3730). Vermoedelijk gebeurde de vermelde verpandingen ten behoeve van de restauratie van de ernstig door brand beschadigde kerk.
Kort na 1600 konden de mensen weer wat vrijer leven. Het dagelijkse leven kwam weer op gang, hoewel velen nog een grote schuld hadden. Wij zien dat er in de 17de eeuw veel landerijen en hofsteden van eigenaar veranderen, of dat er een lening werd afgesloten.

Het schuttersgilde.
De gilden in het algemeen, dus ook de schuttersgilden, waren in hun wezen maatschappelijke instellingen, maar daarnaast had men ook gelegenheid tot vermaak. De bras- en smulpartijen tijdens de gildemaaltijden zijn welbekend.
Voor de schutterijen waren de verplichtingen in het kort:
-    bescherming van mens en dier;
- weldadigheid (steun bij ziekte en nood);
- begraven van overleden gildebroeders.
Het verschil tussen gilde en schutterij is juridisch. Het gilde was een organisatie met een rechtspersoonlijkheid op maatschappelijk, cultureel, economisch of kerkelijk terrein. Het was een vereniging waarvan men lid kon zijn, indien men aan bepaalde voorwaarden voldeed.
Men werd ”gildebroeder”. De schutterij was in feite een overheidsapparaat. Het vormde het weerbaarheidskorps, de veiligheidstroepen van de landsheer; elke weerbare man werd verplicht als schutter toe te treden.
De Vrede van Munster in 1648 betekende het einde van de Tachtigjarige Oorlog. De legers werden afgedankt en iedere staat moest maar voor zichzelf zorgen. Daarom werd rond het jaar 1648 in talrijke plaatsen een soort burgerwacht opgericht om de bevolking te beschermen.
In de kern was de schutterij een gemeenschappelijke organisatie ter bescherming van de eigen leefgemeenschap. Op den duur werd dit zichtbaar in de uitrusting en bewapening. Vandaar het militaire karakter van de schutterij, het schieten.
Om hun weerbaarheid op peil te houden oefenden de schutters regelmatig in het zuiver schieten.
Toen het geweer in zwang kwam, nam men bij de schuttersgezellen dit wapen in gebruik. Men schoot met zelfgemaakte loden kogels.
Het regelmatig oefenen met de wapens was voor de plattelanders, die zich vooral met de landbouw en veeteelt onderhielden, een aanslag op hun tijd en daarmee hun inkomen, hetgeen aan hun inzet niet ten goede kwam.
De historicus Pufendorf (1632-1694) had geen hoge dunk van de militaire kwaliteiten van onze voorouders. Hij schreef: ”Tot de Land-militie sijn se weijnich geschickt; en gemeenlijck is een Hollander te Paerd een ellendigh Creature; Alhoewel de Gerdersche en de geene welcke aen Westphalen grensen, noch meêgaan konnen.” Vóór dat er een vast en staand leger in het leven was geroepen, bleven de landsheren afhankelijk van de inzet, die de schutterijen hen konden bieden.
Ook nog, nadat men over legers kon beschikken, bleef de schutterij als burgerwacht nodig.

Schietwedstrijden en Koningschieten.
Sinds 1624 was het schietwapen de vuurroer of snaphaan. Dit wapen was niet voorzien van een lont, maar van een vuursteen. Voortdurend werd er geoefend in wapengebruik.
De wekelijkse of maandelijkse schietoefeningen vonden hun hoogtepunt in het papegaai- of vogelschieten, dat een oeroude traditie heeft en dat op sommige dagen per jaar, maar in elk geval op de teerdag (schuttersfeest en schuttersdag) plaats vond. Hierbij trachtte men een houten, hoog op een paal gemonteerde vogel af te schieten.
De winnaar was voor het komende jaar koning. Het schutterskoningschap is zoo oud als het schuttersschieten. In de vroegste tijden bestond het enkel en alleen in de eer van het meesterlijke schot. Later ging men er toe over, een compensatie voor de uitgaven en verteringen van de schutterskoning te verstrekken.
Deze konden uit verschillende voordelen bestaan. Soms verstrekte men een geldbedrag, want aan de titel ”schutterskoning” waren vrij aanzienlijke kosten verbonden.
Op atlas van de grafelijke goederen onder Didam van 1729 (AHB inv. no 3385) vindt men vlak bij, in de Grote Kamp (Horstenbroek) een afbeelding van een paal met het bijschrift den Schagt.
Het schieten op de vogel werd eind 17de eeuw soms vervangen door het schieten op de schijf.
Voor het trefzeker schieten hanteerde men nog lange tijd de hand- of kruisboog
In geval van nood of anderszins werden de schutters vroeger letterlijk opgetrommeld, zoals blijkt uit een bericht op 16 juli 1643 (AHB  nr. 1172) ”Jan Craemer, genaamd Stoeldrager, inwoner van de Heerlijkheid Didam, welke al enige jaren tamboer was, om op te roepen onder tromgeroffel voor waakdiensten of calamiteiten, hem vrij te stellen van herendiensten en wacht, zo stelt de graaf indien hij ook in de toekomst zijn dienst als tamboer blijft vervullen”.

Het schuttergilde betrokken bij de plaatselijke folklore.
De behoefte aan recreatie onder de bevolking bracht allerlei spelen met wedstrijdelementen met zich mee. Deze spelen werden gehouden tijdens de jaarlijkse schuttersfeesten, op vastenavond, 1-meiviering, St. Jan en met bruiloften. Genoemde festiviteiten vonden plaats met veel muziek en drank.
Van de opcenten bij het inscharen van vee op de gemeente bedongen, hield men de traditie van het pinksterbier bij de buurschappen in ere.
In 1526 werd wegens de toestand van de bossen verboden om hout, twijgen en meibeuken te houwen, die men bij de gelegenheid van kerstavond, gildebieren en andere gelegenheden ging halen in het bos.
10 November 1651werd er een reglement opgesteld over het gebruik van de Didamse bossen. (AHB 1174) Daarin staat onder artikel 25 ”de markgenoten mogen geen Kerstavond- en Meibomen meer houwen volgens oud gebruik.”.
De festiviteiten vonden plaats met veel muziek en drank. De organisatie lag meestal in handen van de plaatselijke herbergiers. Zij organiseerden rondom hun herbergen schuttersfeesten, waarbij een praktisch niet meer functionerende schutterij als voorwendsel werd gebruikt. De jonggezellen verleenden graag hun medewerking.
Vastenavond werd onder alle omstandigheden gevierd. De vastenavondgekken, gemaskerd en verkleed, trokken in groepen door de buurten. De ”jonge schut” bleef natuurlijk niet achter om haar eigen maskerade te organiseren.
Barbaarse vermaken als ganstrekken, katknuppelen en hanenslaan behoren gelukkig tot het verleden. Het ganstrekken gebeurde traditioneel met vastenavond. Bij het ganstrekken poogden de ruiters in draf, een met de kop naar beneden hangende gans, waarvan de hals met zeep of vet was besmeerd, van een touw te rukken.
Bij het katknuppelen gooide men het knuppeltje naar een opgehangen ton, waarin de kat gevangen zat, tot de bodem eruit vloog en het arme beest als het niet dood was, razend van angst vluchtte.
Het hanenslaan, dat in de Liemers op vastenavond werd gehouden, behoorde oorspronkelijk tot de vermaken van het oogstfeest. Het dier werd half in de grond gegraven met de kop eruit; dan sloegen geblinddoekte jongens en meisjes zolang met een stok naar de haan, tot hij dood was.
Wie het beest de laatste slag toebracht, was hanenkoning of hanenbruid.
Het tegenwoordige vogelknuppelen op een houten vogel tijdens het schuttersfeest is nog een restant van de wrede vermaken uit een ver verleden.
Blijkbaar waren de mensen in het verleden heel wat ongevoeliger voor het lijden van een ”stom dier” dan tegenwoordig
Als er bij bepaalde gelegenheden een schietvergunning werd verleend, kreeg de kastelein de wettelijke plicht opgelegd om vreemdelingen met wapens de toegang te ontzeggen en buiten zijn erf te houden.
Omtrent 1722 kwamen de schutters samen bij de herberg ”De Nachtegaal” bij Somm in Loil, in de Dijk bij Boerboom of het Hagedoorntje, in Kerkwijk bij de herberg van Jan Peckel.
De heer A. Tinneveld deelt in zijn boek ”De Toponymie van Didam” dat de belangrijke buurschappen schutterijen hadden. In de buurschap Dijk stond in 1719 een vogelschacht met een houten vogel erop. Deze mast stond op de grond van de ”gemeinte”. Ook in het buurschap Loil stond een vogelschacht op de zogenaamde Heuveltje, zijnde gildegrond en er stond een schietpaal in Horstenbroek. 

De schutterijen verdwenen, maar niet in vergetelheid.
Van 1790 tot 1810 beleefde de schutterijen de periode van nabloei. De Franse Tijd had de rechtspositie van de oude gilden volkomen veranderd. Deze periode begon met de Revolutie van 1795 en eindigde met de bevrijding van 1813. Van het revolutiejaar af tot 1806 was ons land omgedoopt tot Bataafse Republiek, satellietstaat van ”la douce France”.
Daarna als Koninkrijk Holland en in 1810 geheel en al ingelijfd bij het inmiddels tot Keizerrijk der Fransen omgevormd land.
Op 6 oktober 1811 riep de perfect van het departement van Boven IJssel te Zutphen de maires (burgemeesters  op, zich met hun onderofficieren en medebestuurders naar Doesburg te begeven ter begroeting van keizer Napoleon.
Op 20 december 1811, tijdens de Bataafs-Franse tijd, kregen alle ”Maires” (burgemeesters) op het platteland opdracht er voor te zorgen dat geen schutterij, met uitzondering van de erkende Nationale Garde en Burgerwacht, nog schietwedstrijden zou organiseren.
De overheid stelde zich nu als wettig gezag op voor ’s lands vrede en veiligheid. Ook nadat Napoleon verslagen was, bleef deze gewapende Burgerwacht of Schutterij in tact.
De smid van Didam kreeg op last van de overheid op 2 januari 1814 opdracht tot het smeden van ruim honderd pieken. (NAD)
In een schrijven van 26 mei 1814, (NAD nr 120) laat de Provisionele Commissaris in het kwartier Zutphen de Didammers weten, dat Z.M. de Koning de schutters van de rustende landstorm schutterijen toestaat, tot amusement en uitspanning op de vogel of de schijf te schieten.
Met dit al kwamen onze gilden onder een wetgeving die hun positie grondig wijzigde. Van publiekrechtelijke organen werden zij vrije verenigingen aan wier verordeningen en reglementen niemand binnen de ”gemeinten” gebonden was dan wanneer hij vrijwillig het lidmaatschap had aanvaard
De schutters zijn nooit helemaal in de 19de eeuw uit het Didamse volksvermaak verdwenen. De secretaris van de gemeente Didam schreef op 6 juni 1829 in het notulenboek dat ”De Gemeente Raad van Didam op behoorlijke en tijdige convocatie van den Burgemeester heden vergaderd zijnde, ten einde onderling te raadplegen over den afstand van een stukje Gemeente grond, tegen een jaarlijkse betaling.
Gelezen een rekwest van Gerrit Som, boerenarbeid doende binnen deze Gemeente, houdende aanvrage, om op het zogenaamde Heuveltje zijnde Gemeente grond, in de buurschap Lool alhier een woning te mogen zetten, tegen betaling van een jaarlijkse recognitie, aan de Gemeente Kas.
Gehoord de bedenkingen van enige ingezetenen des gemelde buurschap Lool, houdende in substantie, dat bovenbedoelde Heuveltje, tot hiertoe gediend heeft, tot plaatsen van den vogelschacht alwaar op bijzondere feestdagen naar den vogel of het wit (van de schijf) geschoten wordt.
In aanmerking nemende, dat alzo het plaatsen der woning van verzoeker, de gehele buurschap Lool van een bijzonder volksfeest zoude beroofd hetwelk aldaar sedert onheuglijke tijd heeft plaats gehad.
Zo is met gemeen overleg goedgevonden den verzoeker Som te kennen te geven, dat des zelfs verzoek niet kan getreden worden ”.
Opmerkelijk zijn ook de brieven met betrekking tot de aanvraag van een schietvergunning voor de schutterij in Dijk. De heer J. Horsting, oud-wethouder, als bestuurslid van deze schutterij werd door het gemeentebestuur een vergunning tot prijsschieten geweigerd. Met een schrijven van 27 mei 1875 gingen Horsting en de andere bestuursleden tegen die beslissing bij de koning in beroep. Ingevolge een beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken van 22 juni 1875 deelt de Commissaris des Konings in Arnhem per schrijven d.d. 25 juni 1875 mee, dat de koning niet geroepen is, in deze aangelegenheid te bemiddelen. Hieruit blijkt, dat in Oud-Dijk in 1875 een schutterij bestond.
Didam heeft thans zeven schutterijen, waarvan vier ervan met schutterfeest verschijnen met twee koningsparen, Die doen nog, gelijk wel meer schutterijen, aan ringrijden. Het ringrijden is nog een overblijfsel van de vroegere toernooien. (deelnemer aan een steekspel).

 

Bronnen :
Schutterijen in Didam van 1420 tot 1897 door Karl van Beek, 1999.
Onze Schutterij , A.G. van Dalen,1977
Buurschappen, Gilden, Marken, A.G. van Dalen, 1969 Uitg Liemers Lantaern Zevenaar
Schuttersvereniging St. Anna Oud  Zevenaar, 1873-1998, Th. Goossen.
AHB (Archief Huis Bergh)
NAD (Nieuw Archief Didam)
RAA (Rijks Archief Arnhem)