Sint Jan in de folklore

04-02-2014 21:12
Sint Jan in de folklore
door Theo Goossen Zevenaar

Op 24 juni viert de Rooms katholieke kerk het feest van de Voorloper van Christus: Sint Jan de Doper, de Boetegezant.
Sint Jan de Doper wordt voorgesteld als boeteprediker, gehuld in een kameelharen kleed. Gewoonlijk draagt hij een kruisstaf met een banderol met de woorden "Ecce Agnus Dei": "zie het Lam God". Of hij wijst op het Lam Gods dat hij op zijn arm draagt. Hij  is de patroon van talrijke kerken en gilden in de Liemers en Achterhoek, zoals  die van Kilder en Keijenburg en de gilden van Beek, Kilder , Keijenburg en Babberich. In
Babberich op het Babborgaplein ter hoogte van het gemeenschapshuis, winkel en appartementen staat een beeld van de Nijmeegse kunstenaar Ed van Teeseling. Het beeld stelt Sint Jan de Doper voor, die een lam vasthoudt.
Vroeger was het een algemeen Europees gebruik om op zijn feestdag St. Jansvuren aan te steken. Ook kende men  ter ere van Sint Jan "noodvuren": als de  runderpest uitbrak, werden de koeien door de vlammen gedreven.
De kerk viert van drie personen, Jezus, zijn moeder Maria en Johannes.
niet alleen de geboorte maar ook de sterfdag.

Vuren
De Sint-Jansvuren herdenken de triomf van het licht .Van keizer Kartel V is bekend, dat hij in 1515 te 's Gravenhage het Sint-Jansvuur op de voorgeschreven wijze heeft ontstoken. In het vuur werden kruiden geworpen; de vuren zelf golden als heilzaam tegen misoogsten en veeziekten.
Deze vuren zijn tot in het begin van de 20ste eeuw nog ontstoken in de Achterhoek en de Liemers; er werd om het vuur gedanst en door  het vuur gesprongen, om de reinigende werking op te nemen.
In 1789 wordt dit gebruik onder de toenmalige Pruisische regering in het Ambt Liemers verboden. De jongens en meisjes dansten in een kring om deze vuren en sprongen over de vlammen. Ook zorgden de organisatoren daarbij voor het nodige vuurwerk door met rieken de gloeiende aslaag hoog op te werpen. Het gevolg was dat van deze of gene de kleren vlam vatten of nog erger. De schout kreeg opdracht het aansteken van deze vuren te voorkomen en de namen te noteren van allen, die daarbij aanwezig waren en deze aan de overheid over te brengen. De sintjansvuren zijn eigenlijk levensvuren of vruchtbaarheidsvuren: vgl paasvuur,meivuur,sintmaartenvuur, kerslicht, kerstvuur.
De sintjansvuren gaan terug op de Balderverering van de Germanen. Op   24 juni vierden zij het feest van de zonnekeer. Balder is de god  van de witte dag (midzomer), van licht en zomer, van mannelijke schoonheid, van rechtschapenheid en welsprekendheid. Het lag voor de hand dat het St. Jan werd, die de plaats van Balder moest innemen en niet een andere heilige.
De Sint-Jansdauw, op 24 juni in de vroege morgen verzameld, zou helpen tegen oogziekte. Het zijn echter vooral de planten en zeker het Sint-Janskruid die, op die dag geplukt, grote toverkracht zou bezitten en de vruchtbaarheid zou bevorderen, terwijl zij volgens het volksgeloof ook hielpen tegen bliksem en brand.

Kransen
De volgende legende ligt ten grondslag aan het gebruik van de St. Janskransen. Toen Sint Jan achtervolgd werd door zijn vijanden vluchtte hij een huis binnen. Omdat hij na zonsondergang de woning was binnengegaan en men bij avond of nacht geen burger in zijn huis mocht lastigvallen, hingen zijn achtervolgers een bloemenkrans boven de deur om daags daarna het huis gemakkelijk terug te kunnen vinden. Maar toen zij de volgende ochtend terugkwamen om Johannes gevangen te nemen, vonden zij alle huizen van het dorp versierd met een zelfde krans, die daar op wonderbaarlijke manier was aangebracht. Zo konden ze niet meer achterhalen in welk huis Johannes de vorige avond was binnengevlucht. St Jan kon van deze verwarring gebruik maken en ontsnappen.
Volgens andere verhalen hadden de mensen, toen Johannes moest vluchten voor zijn achtervolgers, een krans van kruiden en bloemen opgehangen aan de huizen waar hij welkom zou zijn. De kransen waren dus een teken van gastvrijheid.
De Sint Janslegenden spraken vroeger zó levendig tot de volksverbeelding, dat het ophangen van de Sint Janstrossen en kransen in Gelderland al in de middeleeuwen algemeen werd. Vooral in de Over-Betuwe en de Liemers is het gebruik zeer verspreid geweest, het meest nog vóór de Eerste Wereldoorlog (1914-1918).
Volgens Van der Ven werd in Huissen op Sint Jan 1923 nog maar één enkele St. Janstak opgehangen. Maar in 1924 was het aantal St. Janstrossen alweer meer dan een half dozijn.
Van officiële zijde werden bijgelovige praktijken uiteraard bestreden.Zo werd in de dekenale vergaderingen van het bisdom Mechelen in 1612 en 1617 als bijgeloof beschouwd: het gebruik van het Sint-Janscruyt, waaraan een speciale kracht werd toegeschreven als voorbehoedmiddelen tegen ongelukken van de mensen en tegen afbranden van huizen; in 1612 staat er "gras te snijden op de vooravond van St. Jan. In "Den Catholycken Pedagoge of Christelycke Onderwyser in den Catechismus", in 1690 te Antwerpen uitgegeven, wordt als bijgeloof bestempeld "Sint Janskruyt ghepluckt voor den Sonne-opgangh te ghebruycken teghen den Blixem."
De traditie om aan de vooravond van St. Jan kransen boven de voordeur te hangen, is al eeuwen oud. Daaronder wordt gegeten, gedronken en gedanst. Dit oude vruchtbaarheidssymbool leidde tor seksuele uitspattingen, waarom de sintjanskronen werden verboden in 1548 in Nijmegen, in 1603 in Grave.
In Stokkum (Bergh) werden in 1924 en in Babberich 1939 aan veel huizen nog Sint Janskronen opgehangen boven de voordeur. Bij oude huizen herinnert soms een roestig spijkertje boven de voordeur aan de oude Sint Jansfolklore.
De Sint Janstros zou beschermen tegen  onheil, ziekte en brand. daarom wierp men in sommige Betuwse dorpen het verdorde St. Janstros later tussen het hooi tijdens de hooioogst. Ze bleef daar tot het volgende jaar.
In Huissen bestond trouwens een heel bijzondere Sint Jansfolklore bij de plaatselijke schutterijen. Deze leverden het Midzomder- of Sint Jansgevecht, een quasi-oorlogje, rond het Sint Jansvuur.
Omstreeks 1950 is het verdwenen, daarna kwam een vermoedelijk dat al deze gebruiken ten dode zijn opgeschreven. Veel romantiek en poëzie gaan daardoor verloren, zelfs de kennis er van en de herinnering
In de avond van de vigilie van Sint Jan (23 juni) verzamelden de huismoeders of hun grote dochters enige kruiden en bloemen. Hiervoor kwam in aanmerking: Serum purpúreum, Sedum acre (muurpeper), Hypericum perforatum (St. Janskruid) en de ouderwetse boerenroos.
Deze  en bloemen werden verwerkt in een krans, uit een wee of wilgentak werd een beugel gevormd. De diameter bedroeg zo ongeveer 25 centimeter. Daaromheen werden de bovengenoemde kruiden tot  een krans gewonden. In elke boerentuin waren deze vroeger te vinden. Alleen het Sint Janskruid of  Hypericum (Hertshooifamilie) groeit in veld en bos en is herkenbaar aan haar bladeren en bloemblaren met olieklieren
en heldergele bloemen.
Vanwege de gaatjes in de bladeren, die er door de duivel ingeprikt zouden zijn, heette de plant ook "Jaag-den-Duivel" en werd zij gebruik tegen heksen en toverij en tevens  tegen blikseminslag. Folklorist Isidoor Teirlinck zei: "Geen kwaad, geen Duivel, Heks of Helsch gedroch kon in een huis waar St. Janskruid aan de zolderbalk hing, of kruisgewijs voor het venster werd gestoken."
Notenbladeren werden ook in de krans gebruikt. Dat hangt misschien samen met het feit, dat de bliksem zelden in een notenboom slaat. In "die  Evangeliën van den Spinrocken" uit 1662 staat: "Wil een vrou, die haer man haer hartelick minne, die legge in synen slincken schoen een blad van een noteboom, gheraept op St. Jansavondt totdat men noen luijdt, en hy sal se wonderlyck lief hebben".
De walnoot gold als symbool van vruchtbaarheid.
In de late zomerschemering werd deze notenkrans boven de voordeur opgehangen en bleef daar tot weer en wind hem had vernietigd. Maar weken, soms maanden lang behield hij tenminste een deel van zijn frisheid. De Sedum groeide en bloeide als teken van levenskracht door. Denk maar eens aan Sedum tectorum, dat vroeger op de lage daken van de boerenhuizen en huisbakovens aantrof. Juist daarom werden voor dit doel gebruikt. (Zie ook op het dak op de Pelgrimstichting te Zevenaar).
Noord-Limburg had haar eigen typisch St-Jansgebruik. Wie daar de eerste bloeiende roggenaar vond, nam deze mee ter kerke. Dan stak hij ze in het sleutelgat van de kerkdeur. Daar trof ze op een goede morgen de koster de aar aan. Vanaf die dag tot aan Sint Jan luidde hij het Angelus

In 1907 viel het schuttersfeest van het Gilde Sint Jan te Babberich 24 juni op een maandag (feestdag van Sint Jan) en dat betekende dat "het" 
bij de verst verwijderde boog begon. Daar lagen de St. Janskransen klaar. Het werd tevens een feest voor de Jannen. Alle Jannen tooiden zich met het St. Janskruid. Iedere Jan ging op de schouders, terwijl het "hij leve hoog" klonk tot ver over de Duitse grens. Het schutters feest werd traditioneel gehouden op de zondag voor St Jan.
Hoe het  gebruik van de Sint Janskrans ontstaan is, valt alleen maar te gissen. Het  is vermoedelijk een vóórchristelijk gebruik.
O.a. bij de Germaanse midzomerfeesten (rond 24 juni). Meisjes dansten dan met dit kruit in kransen in hun haar rond grote vuren. Het zou duistere machten verjagen, dus zeker de duivel, zoals men later geloofde. Daarom hing men het ook in de hutten en hoeven op en werden de heilige plaatsen ermee versierd, later de altaren in de christelijke kerken. Het had ook met bloed (van de god Odin of  Wodan, ook wel van Balder) en vruchtbaarheid te maken (als je bloemen uitperst, komt er rode sap uit).
Het  hing wellicht samen met de viering van een of andere heidense godheid. Ceres misschien, die vereerd werd als godin van  de vruchtbaarheid in de tijd dat het jaar haar hoogtepunt en de sterkste groeikracht bereikte.
Bij de kerstening van onze streken en daarmee van gebruiken en handelingen die daartoe geschikt waren, werd misschien dit gebruik in gebracht met het Midzomerfeest van Sint Jangeboorte.
Wel eens gehoord van Sint-Jansdag? Vroeger was dat een belangrijke dag, vooral bij de boeren. Want "met Sint-Jan slaat de eerste maaier an". Een aantal weerspreuken heeft betrekking op, dit feest; zoals vóór Sint-Jan bidt men om regen, erna komt hij ongelegen.

Kruidwis
Wij laten even volkskundige H.W. Heuvel in zijn interessante boek Volksgeloof en Volksleven aan het woord en lezen daaruit: "Negen soorten
van kruiden werden met St. Jan verzameld en een bosje boven de deur opgehangen als beschermmidel. Elders werden op Maria-Hemelvaart negenderlei kruiden gewijd, die dan Donderdag tevoren 's morgens voor zonsopgang zwijgend geplukt waren, o.a.Valeriaan, Lieve-Vrouwe-Bedstroo, Bitterzoet, Wormkruit.Ze werden in huis en stal opgehangen tegen heksen e.a boze machten. Kwam er een onweer op, dan strooide men er wat van op den haard "
De zegening van het boeket kruiden op 15 augustus, Maria Hemelvaart, behoorde tot de erkende kerkelijke zegeningen. In het Rituale Romanum  wordt in het voorgeschreven gebed na het danklied over de vruchtbaarheid van de aarde (psalm 64) aan de Schepper van het leven gevraagd, dat de kruiden en vruchten mogen dienen tot voedsel en geneesmiddel voor mens en dier.
De oudste wijdingsformulieren voor de kruidwis dateren uit boeken van de 10de en 11de eeuw. Het gebruik is waarschijnlijk ouder en kan in verband worden gebracht met voorchristelijke offers van de eerstelingen van de oogst. Ook in het huidige ritualen wordt naar dit eerstelingenoffer verwezen.
De inhoud van het kruidenboeket kan zeer verschillend geweest zijn.
Durandus schreef  in de 13de eeuw dat als Maria-kruiden roos en lelie werden gezegend. In de 19de en 20ste eeuw behoorden tot het boeket enige aren van graansoorten, notentakken, soms appels, later sierbloemmen.
Vroeger zag men in de zomer overal in de Liemers en het Bergse land een meterhoge plant met haar bloemschermen van gele hoofdjes: boerenwormkruid, die wordt gebruikt tegen ingewandswormen bij vee.
Ook wel als huismiddeltje bij de mens. Of ze als zodanig nog in aanmerking komt, deze Chrysanthemum vulgare, of ze heeft het veld moeten ruimen voor het gekweekte veredelde Balsemwormkruid, de Chrysanthemum majus? Wie zal het zeggen.
Het doel van de  kruidwiszegening is, zoals het ritualen aangeeft, de zegen te vragen over alle planten opdat zij tot voedsel en geneesmiddel van mens en dier mogen dienen.
In Beek, gemeente Montferland, heeft het volgende gebruik bestaan: op
15 augustus namen de boeren een bos planten mee naar de kerk. In dit boeket als het tenminste die naam mag dragen, zat haver, gerst en noten, salie, alsem, basilicums en boerenwormkryuid. Deze graansoorten en geneeskruiden worden na de hoogmis gezegend en daarna neemt men ze mee naar huis om ze te bewaren. Komt ziekte voor op de boerderij onder mens of vee, dan worden gedeelten daarvan gegeven of als aftreksel "thee" ingenomen.
Dit gebruik kwam begin 20ste eeuw nog steeds voor.
Volgens  een Keuls document uit 1427 werd de kruidwis ook gebruikt als beschermmiddel tegen blikseminslag. In geen kerkelijk formulier wordt dit vermeld. Toch schreef prof. dr. Schrijnen over een gebruik in Limburg tijdens onweer: onder het bidden van de Huiszegen werd een takje van de kruidwis in het haardvuur  geworpen en verbrand.
Sinds dat onze specialisten en veeartsen zijn uitgevonden ging de  herinnering aan d e Sint-Janskrans en kruidwis geheel verloren.
Misschien komt er in een of andere vorm iets van de Sint Jansfolklore terug.